Solidariteit niet verdrongen door "calculerende burger'

De Verenigde Naties hebben 1994 uitgeroepen tot jaar van het gezin. Als voorbereiding hierop publiceerde een aantal Nederlandse onderzoekers enkele artikelen waarin zij de vloer aanvegen met heersende voorstellingen over individualisering en calculerende burgers.

DEN HAAG, 9 FEBR. De "calculerende burger' bestaat niet. Betogen in de politiek dat burgers vooral hun eigen belangen najagen - als ze al niet frauderen of andere misdaden aan het plegen zijn - en dat individualisering de solidariteit verdrongen heeft, stroken niet met de werkelijkheid.

Dat concluderen onderzoekers van onder meer de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en de Landbouw Universiteit Wageningen in het jongste nummer van het kwartaalblad Gezin. Uit hun onderzoekingen blijkt dat het zoeken naar geborgenheid en gemeenschap voor het individu op z'n minst zo'n sterke drijfveer vormt als het najagen van eigenbelang.

Centraal in het onderzoek staat de "individualisme is egoïsme'-doctrine die de auteurs in de politiek aantreffen. De Wageningse socioloog dr. C. de Hoog, een van de auteurs, zegt: “De politiek schetst een beeld van de burger die eigenlijk niet te vertrouwen is, fraudeert, calculeert. Dat beeld klopt niet met de werkelijkheid.” Volgens de pedagoog drs. P. Cuyvers, verbonden aan de Nederlandse Gezinsraad, twijfelen de onderzoekers niet aan de statistieken over criminaliteit. Wel achten zij het pessimistische beeld van het gedrag van de burgerij onjuist dat politici uit die statistieken destilleren.

De manier waarop politici met hun zelfgecreëerde werkelijkheid omgaan kan in de ogen van de onderzoekers evenmin genade vinden. “Brinkman met zijn zorgzame samenleving” en nadruk op het gezinsleven getuigt volgens De Hoog van “heimwee naar de oude tijd”. Ook de verheerlijking van de positieve kant van de individualisering in socialistische kring of bij D66 heeft een zwakke empirische basis, meent De Hoog. “Minister d'Ancona zei laatst dat vrouwen in hun emancipatie waren geslaagd omdat ze zonder mannen konden. Als bewijs noemde ze het gestegen aantal eenpersoonshuishoudens. Dat is een onzinverhaal als je naar de oorzaken van die groei en de aard van die huishoudens kijkt.”

De auteurs voeren de groei van het aantal eenpersoonshuishoudens (17 procent in 1971, 29 procent in 1989) ten koste van het aandeel gezinnen met kinderen (52 procent in 1971, 35 procent in 1989) niet terug op het zoeken naar grotere ontplooiingskansen maar vooral op demografische factoren.

Pag.7: Familie en gezin spelen belangrijke rol

Door de verschillende levensverwachtingen tussen man en vrouw wordt een belangrijk deel van die eenpersoonshuishoudens gevormd door weduwen. “Van een bewuste, laat staan egoïstische keuze, is hier uiteraard geen sprake”, schrijven de onderzoekers.

Daarnaast gaan jongeren steeds langer op zichzelf wonen als voorbereiding op samenwonen, huwelijk of het leven in een woongroep. Alleen wonen is in veruit de meeste gevallen geen einddoel. “Het gezin blijft populair, ook onder hedendaagse jongeren”, schrijven de auteurs onder verwijzing naar eerder onderzoek. Maar ook in andere relaties staat de "twee-relatie' centraal. “Zelfontplooiing wordt bijna altijd gezocht binnen zo'n relatie”, zegt De Hoog.

Gezin en familie blijven een onverminderd sterke aantrekkingskracht uitoefenen. Niet alleen het hoge aantal geldleningen dat in familiekring wordt afgesloten wijst daarop. De socioloog G. Kronjee, stafmedewerker bij de WRR, wijst er ook op dat een kind tegenwoordig later het huis verlaat dan vroeger. Toen moest het vaak zelf op jonge leeftijd de kost gaan verdienen om de familie-portemonnee te ontlasten. “Door het langdurige onderwijs is de jeugd steeds later economisch onafhankelijk van de ouders en gaat zij laat het huis uit. Tegenwoordig woont 65 procent in de leeftijdscategorie 20-24 jaar nog thuis”, aldus Kronjee.

De onder leraren populaire bewering dat gezinnen steeds meer van hun opvoedingstaken afschuiven op de school, vindt geen steun in het onderzoek. Integendeel, “het gezin speelt een toenemende rol in de voorbereiding op de volwassenheid”, schrijft Kronjee. De “toenemende aandacht voor verzorging en opvoeding in het gezin”, hebben geleid tot een afname van het kinderaantal per gezin. De zwaardere taak die hieruit is voortgekomen is volgens Kronjee eerder de oorzaak van de afname van de vruchtbaarheid dan de introductie van de pil in de jaren zestig. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat ook in landen waar de pil niet werd geïntroduceerd het kindertal toch daalde.

De onderzoekers trachten tevens af te rekenen met de gedachte dat door de individualisering het zogeheten middenveld van organisaties tussen staat en individu is verdwenen. De rol van kerk en andere levensbeschouwelijke instellingen mag dan sterk verzwakt zijn, nieuwe groeperingen zoals milieu- en reizigersorganisaties hebben een deel van hun rol overgenomen, aldus de onderzoekers. Het lossere verband waarbinnen naar nieuwe, gemeenschappelijke doelen wordt gestreefd brengt de onderzoekers tot de conclusie dat “individualisering en solidariteit elkaar geenszins hoeven uit te sluiten.”

Ondanks het feit dat gezin, familie en gemeenschapszin wel degelijk floreren, pleiten de onderzoekers voor een actief gezinsbeleid van de overheid. In andere Europese landen zoals België, Duitsland, en Frankrijk bestaat al een gezinsminister die beleid op gebieden als sociale zekerheid, onderwijs, kinderopvang en huisvesting coördineert. Nederland loopt op dit punt achter, constateren de auteurs.

Zo wijst Wageningse onderzoeker De Hoog erop dat bij bestrijding van armoede in Nederland alleenstaanden veel meer overheidshulp kregen dan armlastige gezinnen. “De bijstandsmoeders werden in de jaren zeventig en tachtig als een soort pandabeertjes door hun familie en de sociale dienst beschermd. Arme gezinnen moesten het zelf maar zien te rooien.”

Een minister van G(ezin), V(olksgezondheid) en C(ultuur) zou ook de onderwijskansen van allochtonen en andere groepen in de binnensteden moeten verbeteren door een beter woon- en leefklimaat te scheppen. “De binnensteden zijn ongeschikt voor het in goede gezondheid opgroeien van kinderen”, schrijft Kronjee. Ook de veroudering van de bevolking die afhankelijk is van voorzieningen waarvan de kosten door het nog resterend produktieve deel van de bevolking moeten worden opgebracht, vraagt om een zorgvuldige begeleiding van ouders en kinderen, zo menen de auteurs.