Schuld en DAF

TERWIJL HET DRAMA DAF zich in al zijn treurigheid ontvouwt, komt steeds duidelijker de schuldvraag aan de orde.

De roemloze ondergang van de eens zo trotse nationale truckfabriek is, hoe men het wendt of keert, in eerste instantie de verantwoordelijkheid van een bestuur (directie en commissarissen) dat de signalen van de markt te lang negeerde. Hier en daar wordt kritiek geventileerd op de Nederlandse overheid, die DAF onvoldoende en bovendien te laat zou hebben gesteund. Dat verwijt gaat voorbij aan het falen van de ondernemingsleiding die niet tijdig de bakens verzette toen duidelijk werd dat de Europese vrachtwagenmarkt voor een periode van stagnatie en overcapaciteit stond.

De DAF-leiding moest een half jaar na de triomfantelijke introductie van het DAF-aandeel op de Amsterdamse beurs in 1989 zijn gloednieuwe aandeelhouders al teleurstellen: de winstgroei stagneerde. Maar in Eindhoven bleef het bestuur ongemoeid, toen nog onder leiding van de "techneut' ir. A. van der Padt, die de fusie met het Britse Leyland destijds doorzette ondanks negatieve adviezen van externe adviseurs. Van der Padt bleef steeds een en al optimist.

MET DIE ONVERWOESTBAAR zonnige kijk op de gang van zaken is de hele jongste geschiedenis van DAF doortrokken. Telkens weer slaagde het topmanagement erin, zelfs in de diepste ellende van de ineengestorte Britse markt, lichtpuntjes te ontdekken. Die lichtpunten vormden dan vaak het vergroten van het eigen aandeel in een teruglopende markt of in een voor DAF nog onontgonnen markt als de Duitse. Maar langzaamaan wordt duidelijk hoe die verkopen tot stand moeten zijn gekomen: DAF gebruikte de eigen financieringsmaatschappij als instrument om marktaandeel te kopen, koste wat het kost. Slechte contracten werden de eigen financiers opgedrongen. En omdat het bedrijf zelf geen geld had om al die trucks te financieren moest kort en dus duur worden geleend. Zo kwam de ondergang onvermijdelijk naderbij.

Tot het water het bedrijf aan de lippen stond bleef ongefundeerd optimisme in Eindhoven hoogtij vieren. Half december - het bedrijf was technisch gesproken al failliet, de markt volledig ingestort en alle pogingen tot samenwerking waren mislukt - kwam de mededeling dat “hoewel het bedrijfsresultaat in de bedrijfswagensector zeer aanzienlijk is verbeterd en dit jaar positief zal worden afgesloten (...) verwacht DAF NV dat over geheel 1992 een hoger netto verlies zal worden geboekt dan de circa 100 miljoen gulden die ten tijde van het halfjaarbericht werd voorzien”.

Achteraf blijkt deze prognose wel een heel erg vertekend beeld van de werkelijkheid te hebben gegeven. Uit surséance-stukken bij de rechtbank in Den Bosch blijkt dat DAF over de eerste tien maanden van '92 al 260 miljoen gulden verlies had geleden. Ook de bewindvoerders refereerden gisteren aan deze cijfers om te tonen hoe de gang van zaken bij DAF in de afgelopen maanden in negatieve zin accelereerde.

WAS HIER SPRAKE van misleidende informatie? Het is, zeker in het licht van de ellende die zich nu rondom DAF afspeelt, gewenst dat deze zaak tot de bodem wordt uitgezocht. Een taak voor de toezichthouders van de Amsterdamse effectenbeurs. Een dergelijk onderzoek lijkt een goed voorschot op een enquête van de Ondernemingskamer, die het hele doen en laten van het DAF-bestuur zou dienen na te gaan. Er zijn belanghebbenden genoeg die een dergelijke enquête kunnen overwegen.

Al met al rijst een beeld op van een onderneming die, te zeer gefixeerd op het eigen doen en laten, het zicht op haar omgeving had verloren. Het is helaas niet on-Nederlands. Lijden Philips, Fokker, Hoogovens niet in meer of mindere mate aan hetzelfde euvel? Hopelijk vormt DAF een voorbeeld dat tot bezinning en inkeer leidt.