Schoonheid

Eigen volk eerst. In het Prado in Madrid sla ik zonder aarzelen de weg in die naar de Nederlandse schilders voert.

Zoals in ieder museum. De Nederlanders zijn het mooist, overal. Ik houd vooral van de kerkinterieurs en de stadsgezichten, maar ook de land- en waterschappen zijn me lief, de binnenhuistafereeltjes, de stillevens, wachtend op oer-Nederlandse schranspartijen, en de ijsfeestjes. En de Nederlandse gezichten, die me meer zeggen dan de Italianen en Spanjaarden. Ik vraag me af hoe het komt, die voorkeur. Niet omdat ik er mee opgegroeid ben. Ik was eerder in buitenlandse musea dan in de musea in mijn eigen stad en scherpe schoonheidservaringen associeer ik met reizen. Zou het werkelijk de volksaard zijn, in mijn genen gebrand, die maakt dat ik de Nederlandse schilders van eeuwen geleden als verwanten zie? Van vreemde smetten vrij hoeven ze niet te zijn. Een beetje Italianiseren is welkom. In het Rijksmuseum hangt een gezicht op de Herengracht, als ik het me goed herinner van Gerrit Berckheyde, dat me altijd aan Chirico doet denken. Daarin heb ik geen medestanders gevonden. Vrienden lachen me uit. Amateur speelt kunsthistoricus, kinderlijk blij met een zelf gevonden idioot anachronistisch verband. Dat kan me niet schelen. Ik houd er rekening mee dat de associatie met Chirico op oneigenlijke motieven berust. Niet de vreemde lichtval, maar het feit dat ik het geheim ken dat het schilderij verbergt: de straat die naar mijn huis gaat.

Iemand vertelde me eens over een Japanner, die in Europa woonde. Wat miste die Japanner het meest? Niet het Japanse eten, dat hij hier ook wel kon krijgen, maar het Europese eten, op zijn Japans klaargemaakt. Zo houd ik, meer dan van de Italianen, van de Italianiserende Nederlanders. Een stukje Amsterdam of Haarlem. Door het licht en door een kleine vertekening van de gebouwen zijn het Italiaanse steden geworden, mooier dan de steden van Italië.

Het Prado is groot en vermoeiend en de gestoorde verhouding tussen Spanje en de Republiek is niet bevorderlijk geweest voor het verzamelen van Noord-Nederlanders. Er wacht mij een beloning, het zaaltje van Hiëronymus Bosch, maar ik moet grote zalen vol weelderig mensenvlees doorwandelen die me niet interesseren.

We moeten opschieten, morgen moet er weer naar het schaken gekeken worden. Vlakbij is het nieuwe Thyssen-Bornemisza Museum, nog maar een paar maanden open. De privé-verzameling van de Duitse baron, voor negen jaar aan Spanje in bruikleen gegeven. In de reisgids lees ik dat er veel kritiek geweest is op de Spaanse regering, die een fortuin heeft uitgegeven om een collectie onder te brengen die voorlopig alleen maar geleend is. Het is ook nooit goed.

Mooi, mooi, mooi. Wat een vervelend woord, het heeft terecht de zweep gevoeld in deze eeuw. Ik heb het woord al een paar keer opgetikt en weer uitgeveegd, vanwege zijn nietszeggendheid. Ik kan me voorstellen dat de kunstbeschouwers er genoeg van kregen en het met andere woorden wilden proberen, die na een tijdje even nietszeggend bleken. Maar bij dit Thyssen-Bornemisza museum houd ik het woord maar aan, als een stamelend kreetje van verrukking. Drie verdiepingen vol meesterwerken, van de twintigste tot de dertiende eeuw. Een paar 19de eeuwse Engelsen en Amerikanen die ik vervelend vind, maar die moeten voor de representativiteit en de volledigheid zijn aangekocht, voor de rest zou je bij ieder werk willen dat je het zelf had uitgezocht. Een kamer vol Italianiserende Nederlanders, dat komt ook goed uit.

Je moet boven beginnen, bij de middeleeuwen, en dan naar beneden, tot je gelijkvloers bij de twintigste eeuw uitkomt. We doen het andersom en dan is het alsof je opstijgt naar de hemel, die tenslotte op de tweede verdieping voor je opengaat; de Italiaanse en Vlaamse religieuze kunst. We zijn in de verkeerde eeuw geboren, zeggen we tegen elkaar. We hadden toen moeten leven, in de veertiende eeuw. Tijd van pest, oorlog en massasterven. Wie alleen maar esthetiseert wordt ongevoelig en fascist.

Achteraf praat ik met iemand die in Madrid woont. Hij heeft niet veel op met die Thyssen-Bornemisza collectie. Zo'n verzameling van niets dan absolute meesterwerken is glad en dood, vindt hij. Hij houdt meer van het Prado, het onafzienbare pakhuis, waar de gemiddelde kwaliteit minder is en je hele zalen over kan slaan, maar wel ontdekkingen kan doen. Die Thyssen-Bornemisza collectie is eigenlijk een soort Readers Digest, vindt hij. Het Beste uit de Europese schilderkunst, handig samengevat, zodat je het in een dag kunt bekijken. Zijn argumenten spreken me aan. Ik ben meer iemand van letters dan van beelden en ik bedenk wat ik zou vinden van een literatuurliefhebber die een bibliotheek van louter meesterwerken had verzameld. Een barbaar, die niet van lezen houdt, alleen van meesterwerken. Maar hoe vertrouwd de argumenten me ook zijn, ze gaan langs me heen, onmachtig mijn jubelstemming te bederven. Mooi,mooi,mooi.

We gaan terug naar ons dorp, waar de schaakmatch is. Het traject is geschikt om cultuurpessimistische overpeinzingen op te roepen. De lelijkheid van het gebied tussen stad en dorp. In Spanje is het in korter tijd volgebouwd dan elders in West-Europa, en daardoor misschien nog lelijker. Ik fantaseer over een alternatieve geschiedenis, waarin het vooruitgangsstreven er volledig op gericht zou zijn geweest om de schoonheid te vergroten, niet de welvaart. “Misschien was het altijd wel zo dat de mensen de architectuur van hun eigen tijd lelijk vonden”, zegt iemand. Bekende relativerende tegenwerping. Erg waarschijnlijk lijkt het me niet. Een wereldgeschiedenis vol jammeraars en cultuurpessimisten, van de oudste tijden tot nu, zo kan het toch niet geweest zijn.

In ons dorp San Lorenzo heerst weer de schoonheid. De pleintjes, de straten, het klooster-paleis El Escorial, alles is mooi. De bewoners dragen aan de schoonheid bij met optochten door de straten. Reuzen, muzikanten, paarden, verklede mensen, varkens die straks verloot zullen worden, er zijn weinig dagen zonder feest. Het is gebruikelijk dat er bij de mensen die beroepshalve een schaakmatch volgen na een tijdje verveling en gemelijkheid optreedt. Na twee weken willen we meestal wel weg. Maar nu niet. Jammer dat het afgelopen is, ik had nog wel een tijdje willen blijven, zeggen we tegen elkaar. Het is de macht van de architectuur, die na honderden jaren nog in staat is gebleken ons een maand lang gelukkig te maken.