Oplossing crisis Haïti nog steeds ver weg; In Haïti lijkt geen plaats meer voor een dialoog; Roep om militaire interventie klinkt steeds harder

MEXICO-STAD, 8 FEBR. Om de voortdurende crisis in Haïti na de staatsgreep tegen president Jean-Bertrand Aristide te beëindigen, heeft de internationale gemeenschap de beschikking over een uiterste maatregel: een militaire interventie. Argentinië en Venezuela, twee invloedrijke lidstaten van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) die onmiddellijk na de coup van 30 september 1991 opriepen tot interventie, vragen nu opnieuw om een krachtig gebaar. Zo heeft Argentinië op voorhand een contingent militairen en pantserwagens beschikbaar gesteld om een eventuele missie van VN-waarnemers in Haïti te beschermen. En zo zei de Venezolaanse ambassadeur bij de OAS vorige week dat een gewelddadig, multinationaal ingrijpen de laatste mogelijkheid is om de democratie in Haïti te herstellen.

Het is echter ondenkbaar dat zo'n interventie zou geschieden zonder medewerking van de Verenigde Staten. De terughoudendheid die de VS aan de dag leggen voor militair ingrijpen in ex-Joegoslavië zou minder een rol spelen in het "overzichtelijke' Haïti, terwijl president Clinton zijn buitenlandse poltiek op die manier tevens een "eigen gezicht' zou kunnen geven. Hoe belangrijk de Haïtiaanse crisis wordt gevonden in Washington, blijkt onder meer uit het aanblijven van Bernard Aronson als onderminister voor Latijns-Amerika. Maar het is de vraag of de VS ook vinden dat alle andere methoden nu zijn uitgeput om het bewind in Haïti tot concessies te dwingen.

Zo kan de internationale gemeenschap de duimschroeven verder aandraaien door het embargo tegen Haïti opnieuw te verscherpen, of door de toegezegde ontwikkelingsgelden van meer dan 200 miljoen dollar nog langer bevroren te houden. Voorlopig echter beperkt de politionele bemoeienis van de VS met Haïti zich tot het cordon sanitaire van de Kustwacht, even buiten de territoriale wateren van het half-eiland, in een poging bootvluchtelingen terug te zenden - zowel om in Haïti de druk op de ketel op te voeren, als om het probleem dat de uitgeweken Haïtianen in de VS zouden vormen.

Hoe diep de Haïtiaane impasse is, bleek vorige week tijdens de missie van de speciale afgezant van de Verenigde Naties, de Argentijn Dante Caputo. Diens vierde reis naar Port-au-Prince om tot een compromis te komen tussen de militaire machthebbers, hun marionet-premier Marc Bazin en de verdreven president Aristide begon al direct na aankomst met een oponthoud van enkele uren op de plaatselijke luchthaven. Honderden, door het bewind met bussen aangevoerde demonstranten blokkeerden de uitgang van het vliegveld. Volgens waarnemers in Haïti waren deze tontons macoutes, zoals de knokploegen van de voormalige dictatorsfamilie Duvalier worden genoemd, met opzet ingeschakeld om Caputo's interventie bij voorbaat al onmogelijk te maken.

De besprekingen die hij vervolgens voerde met Bazin en juntaleider generaal Raoul Cedras werden geen succes, nadat Bazin niet wilde instemmen met een onbeperkte bevingsvrijheid voor internationale waarnemers en het recht om “elke Haïtiaan naar zijn mening te vragen”. Bemiddeling van de VN leek begin dit jaar nog een zekere kans van slagen te hebben. Nadat Haïtiaanse zakenlieden in Washington en Port-au-Prince eind vorig jaar de weg hadden geëffend voor de komst van Caputo, had deze na zijn tweede ronde van besprekingen al letters of intent op zak van alle betrokkenen. Daarmee had het er alle schijn van dat de oplossing van de crisis aanstaande was: te beginnen met de komst van zo'n vijfhonderd VN-waarnemers, die de vestiging van een "interimregering' zouden begeleiden, die de terugkeer van Aristide zou voorbereiden. Van hun kant hadden de machthebbers in Haïti toegegeven aan de druk van het zakenleven - dat van de door de OAS ingestelde boycot af wil; Aristide leek zich te verzoenen met een compromis dat een soort eervolle aftocht voor de militiaren inhield.

De inhoud van de brieven werd al snel en ten onrechte wereldkundig als een definitief akkoord. Caputo was daaraan medeschuldig; met Argentijnse zwier presenteerde hij vage toezeggingen als voldongen feiten. Al snel uitten zowel juntaleider Cedras als premier Bazin openlijk hun bedenkingen over het vermeende akkoord, vooral over de inzet van waarnemers, die Haïti de “wet zouden komen voorschrijven”. En ook de verbannen president Aristide ging - na een milde periode - steeds onverzoenlijker taal uitslaan over de Haïtiaanse militairen.

De VN zullen uit de gebeurtenissen van de afgelopen maanden opnieuw de conclusie hebben getrokken, dat het Haïtiaanse conflict muurvast zit. Na decennia van dictatuur en met de voortgaande verpaupering van Haïti lijkt in deze samenleving geen plaats voor dialoog te zijn. Het politieke debat wordt bovendien vertroebeld door de omvangrijke belangen van de (drug)misdaad, die vaste voet aan wal heeft gekregen in Haïti. Voor de militairen is de enige levensverzekering de definitieve verwijdering van Aristide; de verdreven president kan bij zijn eventuele terugkeer de aanstichters van zoveel ellende niet ongemoeid laten wil hij ten opzichte van zijn volgelingen zijn geloofwaardigheid behouden.

Premier Bazin, wiens positie vooral na de lachwekkende en massaal geboycotte verkiezingen vorige maand vrijwel onhoudbaar is geworden, deed eind vorige week nog een poging tot tijdrekken door een “stapsgewijze” oplossing van de crisis voor te stellen. De man die als "de kandidaat van Washington' op vernederende wijze in 1990 de verkiezingen van Aristide verloor, is elke schijn van onpartijdigheid inmiddels kwijt.

Intussen ontving de nieuwe Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Warren Christopher de lange tijd in Washington als melaats beschouwde Aristide. Indien dat een indicatie is dat de Amerikanen, ondanks hun instinctieve afkeer van de progressieve ex-priester, nu hun volle gewicht achter de terugkeer van de democratisch gekozen president zullen zetten, dan is het geforceerde einde van het regime in Haïti een kwestie van tijd. President Clinton heeft bovendien in deze nog iets goed te maken, nadat hij zijn campagnebeloften aan de Haïtianen al vóór zijn inauguratie verbrak. De dreiging van een massale exodus van bootvluchtelingen, ondanks de waakzaamheid van de Kustwacht, kan daarbij het doorslaggevende argument zijn om Haïti alsnog op de wereldkaart van het Pentagon te plaatsen.