Ook legerleiding hoort zich te mogen uiten

Het is betreurenswaardig dat hooggeplaatste militairen hun mening slechts durven of willen uiten - zoals generaal-majoor J. Schaberg op deze pagina - als ze op non-actief zijn gesteld, en niet voordien.

Vooral wanneer er diepgaande veranderingen in de krijgsmacht gaande zijn, wordt een bijdrage van de legerleiding aan de meningsvorming gemist. De legerleiding houdt zich stil, verschuilt zich achter loyaliteit ten opzichte van de politiek en lijkt geïntimideerd door de uithaal die de minister van defensie kortgeleden deed naar de bevelhebber der landstrijdkrachten.

Ook hooggeplaatste militairen dienen kritiek te hebben wanneer politieke beslissingen worden genomen die de eigen organisatie raken, net zo als hooggeplaatste ambtenaren van andere ministeries. Niet de politieke beslissingen zelf moeten dan worden gekritiseerd, maar de consequenties van die beslissingen, vooral als blijkt dat de legitimiteit of zorgvuldigheid in het geding is.

Voor de legerleiding - zo blijkt uit het artikel van Schaberg in NRC Handelsblad van 4 februari - staat de fundamenteel wijzigende taakstelling van de krijgsmacht kennelijk niet ter discussie; of er al of niet sprake is van een beredeneerde relatie met de grondwettelijke taak van de krijgsmacht evenmin.

Is men bang voor "rumor in casa' als men alle beroepsmilitairen zou vragen wat men vindt van deze nieuwe taakstelling? Is men bevreesd voor een chronisch gebrek aan enthousiasme en begrip? Zegt men daarom: "Dat is inherent aan het beroep'? Is dat de reden dat men alleen maar dreigt met ontslag bij weigering uitgezonden te worden? Het lijkt erop.

Signalen dat bij het beroepspersoneel meer leeft dan louter aanvaarding van de taken van de krijgsmacht "nieuwe stijl', blijven tot op heden beperkt tot een enkel dagbladinterview en wat uitlatingen in televisieprogramma's. Bij eenheden en op staven, maar ook thuis, wordt er echter indringend over gesproken. Er is sprake van een "onderstroom' waar gevoelens van onmacht, onvoldaanheid, frustratie, onzekerheid en angst tot gisting komen, maar niet via daarvoor bestemde uitlaten naar buiten kunnen. Hiervoor moet de legerleiding zorgen. Al was het alleen maar om het resultaat van het gistingsproces in ogenschouw te nemen.

De legerleiding zou dan wel eens kunnen ontdekken dat een meerderheid, of althans een groot deel van het beroepspersoneel, zich niet kan identificeren met de nieuwe taakstelling van de krijgsmacht, omdat die in geen enkele relatie meer staat tot de taken van de krijgsmacht waaraan men zich indertijd verbond. Taken die hun legitimiteit ontleenden aan het door generaal Schaberg aangehaalde artikel 98 van de Grondwet, terwijl over diezelfde legitimiteit van de nieuwe taken gerede twijfel bestaat.

Een andere ontdekking zou kunnen zijn dat de krijgsmacht behoefte heeft aan een ander soort beroepsmilitairen: militairen met een idealistischer wereldbeeld, die overtuigd zijn van de noodzaak van een VN-organisatie en dito vredes- of strijdmacht.

Diegenen, van het huidige personeelsbestand, die daar "ja' tegen zeggen, zou men een bereidverklaring kunnen laten tekenen, waarna zij ook geen grond meer hebben te weigeren om uitgezonden te worden voor VN-operaties. De anderen, die "neen' zeggen, zou men moeten laten gaan, zonder rancune en met een behoorlijke afvloeiingsregeling. Dat is een vorm van personeelszorg die de krijgsmacht zou sieren en van een wezenlijk andere orde dan wat nu gebeurt: veel mensen tegen hun zin aanwijzen voor uitzending, in de wetenschap dat men niet zal of kan weigeren omdat men bij ontslag het gezin niet langer kan onderhouden.

Een krijgsmacht die zo prat gaat op haar open, vermaatschappelijkte karakter hoort ook op dit gebied met haar tijd mee te gaan.