Nieuw leger als instrument van buitenlands beleid; Aan de kwaliteit en inzet van jongens en meisjes met donkere ogen hoeft het niet te liggen

Onder de toevalligheidstitel Prioriteitennota heeft het kabinet een staatsstuk naar het parlement gezonden met diepgaande consequenties voor het buitenlands- en defensiebeleid. Het gaat in hoofdzaak om twee dingen: de ingrijpend gewijzigde veiligheidsituatie en de personele samenstelling van de krijgsmacht.

De nota stelt dat in beginsel alle parate eenheden ter beschikking staan voor VN-operaties. Het is van groot belang of de Haagse politici en in breder verband het Nederlandse volk, achter deze toezegging gaan staan. Dat vraagt om een principiële discussie. In het verleden beleden sommige progressieve kamerleden die nogal kritisch stonden tegenover onze NAVO-bijdrage, met de mond dat VN-politietaken hun voorkeur en steun hadden. Maar de praktijk was anders. Toen in 1990 de Veiligheidsraad een boycot tegen Irak instelde en om die te handhaven om fregatten vroeg, duurde het ettelijke weken voor het besluit viel. Dat lag niet alleen aan de zomervakantie en zeker niet aan de (zich verbijtende) marine.

Aan de min of meer humanitaire acties waar thans Nederlandse militairen aan deelnemen, wilde het parlement alleen goedkeuring hechten als de regering kon verzekeren dat er geen levensgevaar aan was verbonden. Evenwel, bij de vredebewarende operatie van de Verenigde Naties in Libanon, waar ook Nederlandse militairen aan deelnamen, zijn slachtoffers gevallen. Wat dan als het om peace enforcing gaat, een eufemisme voor oorlog of op zijn minst pittige gevechten? Dáárop wordt de samenstelling en bewapening van de landmacht gericht.

Dat stemt overeen met de ervaring die is opgedaan in Libanon. Nederland leverde daar een versterkt pantser-infanteriebataljon; dat trad in de gehele zone op als het moeilijk werd. Ook de verbindings- en bevelvoeringsapparatuur werd, met bemanning, door Westerse landen geleverd. Het gewone voetvolk (ik spreek niet laatdunkend) kwam goeddeels uit Derde-wereldlanden. Zo zal het in de toekomst ook gaan: landen als Nigeria, Pakistan, Indonesië, met hun miljoenen jonge mensen, kunnen makkelijk (en goedkoop) de "bewapende mannen' leveren, maar de "bemande wapens' zullen uit Amerika en Europa moeten komen.

Als het om peace enforcing gaat, zal vooral behoefte bestaan aan slagkracht. Dus als het er echt op aankomt zal Nederland, volgens deze nota, behoren tot de landen die de kastanjes uit het vuur moeten halen. Die consequentie moeten de Kamerleden zich nu goed realiseren; als er straks ergens wat loos is en de VN onze toezegging afroepen, is snel handelen geboden en ontbreekt de tijd voor principiële debatten.

In de kabinetsnota gaat het over campagnes die lang duren en waar de deelnemende eenheden om de zes maanden worden afgelost. Daarom moeten de eenheden in drievoud aanwezig zijn, zodat de militairen na een term in het actiegebied een jaar thuis zijn. Eén voor - twee achter, heet dat bij de landmacht; één op - twee af, in marinetaal. Dat klinkt vertrouwd. De Nieuw-Guinea-affaire duurde twaalf jaar en ik diende daar viereneenhalf jaar (een term duurde toen anderhalf jaar). Dat was geen uitzondering, zeker niet voor de mariniers. Niemand is daarvan gefrusteerd geraakt dus één op - twee af hoeft geen probleem te zijn, zeker nu de faciliteiten en de betaling zoveel beter zijn. En dat op vier plaatsen tegelijk. Daarmee zet Nederland hoog in.

Ik heb als werkdefinitie van het buitenlandse beleid wel eens gegeven: zorgen voor de diplomatieke zichtbaarheid in de wereld. Of, wat ambitieuzer: Nederlands diplomatieke zichtbaarheid vergroten. Daarbij speelden de afgelopen decennia omvang en kwaliteit van de krijgsmacht een grote rol, met name bij de NAVO-bondgenoten, die ook in alle andere opzichten onze belangrijkste partners zijn. Ook de nieuwe krijgsmacht kan een goed instrument van buitenlands beleid worden.

De tweede ingrijpende beleidswijziging in de nota betreft het opschorten van de dienstplicht. We kennen dienstplicht sinds de stichting van het Koninkrijk in 1815. Hij was steeds gericht op de verdediging van het rijk in Europa. “Het is plicht dat iedere jongen / voor d'onafhankelijkheid / van zijn geliefde vaderland / zijn beste krachten wijdt”, zo zongen en zingen we. Toen in de jaren 1945-'49 dienstplichten moesten worden uitgezonden naar Nederlands-Indië werden daarvoor de Grondwet en de Dienstplichtwet gewijzigd. Dat de dienstplicht strekt tot verdediging van het eigen land, van eigen huis en haard, leeft sterk (al staat het legering in de Bondsrepubliek of dienen op de vloot in de Europese wateren niet in de weg).

Die verdediging van het eigen land, in een democratisch bondgenootschap, maakte iedere dienstplichtige ook duidelijk waartoe hij onder de wapenen werd geroepen. Maar hoe dienstplichtigen te motiveren als de taakstelling is: onzekere VN-acties op basis van vrijwilligheid? En als het echt gaat spannen, werkt dat niet. Tijdens de Golfoorlog werd Nederland gevraagd artillerie te leveren. Dat lag voor de hand, want ons legerkorps heeft veel artillerie (is artillerie-zwaar, in het jargon). Maar - afgezien van de politieke wil - de bemanning met dienstplichtigen verhinderde dat.

De essentie van een gevechtseenheid is samenhang: jij vertrouwt op je maten en je maten rekenen op jou. Dat is niet te bereiken door vrijwilligers onder de dienstplichtigen bij elkaar te brengen, tenzij ze geruime tijd samen worden getraind .

Zo werken verschillende redenen tot de conclusie: een krijgsmacht met als primaire taak crisisbeheersing elders in de wereld, moet uit beroepspersoneel bestaan. Dat is inderdaad, in de woorden van minister Ter Beek, een historische beslissing. Nu gaan er stemmen op dat dit de omvang van de krijgsmacht beperkt tot een onverantwoord niveau, gezien de niet uit te sluiten dreiging van een groot conflict, want dan moet over reservisten kunnen worden beschikt.

Dat is juist. De nota onderkent de noodzaak capaciteit in stand te houden om, in geval van nood, voldoende strijdkrachten te genereren. Maar dan is mankracht alleen onvoldoende; dan moet ook het vereiste industriële potentieel en de technologische basis in stand worden gehouden om die reservisten van wapens, munitie en apparatuur te voorzien.

Rekening houdend met het voorgaande, verdient het kabinet bijval in zijn historische beslissing. Maar de pijn zit in de overgangssituatie en in de mogelijkheid vrijwilligers te werven. Wat dit laatste aangaat: als zou blijken dat het Korps Mariniers, dat nu eenmaal in dit opzicht een lange ervaring en traditie heeft, makkelijker vrijwilligers aantrekt dan sommige landmachtonderdelen, moet niet worden geschroomd dat mogelijk te maken.

Wanneer de nota over de transitieperiode had gesteld: de veiligheidssituatie is zo onzeker dat het nodig is nog vijf jaarlichtingen op te roepen, zodat voor een ruime periode nog over reservepersoneel kan worden beschikt, zou dat een argument zijn in overeenstemming met de aard van de krijgsmacht. Echter, de redenen die worden aangevoerd om nog ten minste vijf jaar dienstplichtigen op te roepen, zijn louter organisatorisch. Daarover zullen in het parlement nog harde noten worden gekraakt.

Even zeker is het dat zal worden gepleit om het aantal gedwongen ontslagen onder de huidige beroepsmilitairen zoveel mogelijk te beperken. Ik zou daarvoor willen waarschuwen. Aanhouden van in wezen overtollig personeel kan de toch al ingewikkelde reorganisatie alleen maar bemoeilijken. Bovendien belemmert het de loopbaan van het jongere kader, dat niet kan worden gemist en de ruggegraat wordt van de nieuwe landmacht. Willen we goede mensen binnenhouden, dan moeten die loopbaanperspectief hebben.

Opschorting van de dienstplicht is niet voor het eerst aan de orde. Eind jaren zestig kwam het toenmalige kamerlid Kikkert al met een plan voor een vrijwilligersleger. Hij had daarvoor drie argumenten. Het eerste was: professionalisering verhoogt de kwaliteit. Voorts noemde hij het macro-economisch argument: het almaar opleiden van doorstromende lichtingen dienstplichtigen legt beslag op vele duizenden extra arbeidsjaren, dus op goed opgeleide jonge mensen. Dit argument gaat in de komende jaren, bij het afnemende aantal schoolverlaters, weer een belangrijke rol spelen.

De derde overweging van Kikkert had betrekking op het type jongeman dat zich voor dienst zou melden. Naast doorsnee-schoolverlaters, zo onderkende Kikkert, is er een groep jongeren wier hoofd niet zo naar de boeken staat, die wat avontuurlijk zijn aangelegd en daardoor hun school niet afmaken. Die groep zou in het leger de nodige teamgeest en regelmaat oppikken, om na een aantal jaren met betere kansen op de arbeidsmarkt te komen.

Nu hoor ik stemmen die de vrees uitspreken dat de nieuwe krijgsmacht een overmaat aan allochtonen zal gaan omvatten. Is dat erg? Toen ik in 1946 bij de marine kwam, dienden er op de vloot nogal wat Surinamers en veel Molukkers. Die hadden in de oorlog bewezen hun mannetje te staan en ik heb altijd prettig met hen gediend. Ik zou zó weer met een schip met zo'n bemanning naar zee gaan. Aan de kwaliteit en inzet van jongens en meisjes met donkere ogen hoeft het niet te liggen. Ook had Kikkert gelijk dat de krijgsmacht kan helpen bij de integratie van jongelui die een afwijkende start hebben gemaakt in het leven. Zie als voorbeeld de Amerikaanse strijdkrachten.