Hier gloort geen toekomst, hier wordt gerouwd

In "t nokkend wee der zielen welt een traan, Meindert Stokroos, fotografie Han van Gool, ƒ 17,50 bij de Nieuwe Oosterbegraafplaats of Gemeentelijk Bureau Monumentenzorg, Keizersgracht 123, Amsterdam.

Links wordt gewerkt. De stilte wordt doorboord door het harde, heldere geluid van een ijzeren staaf op steen. Net voordat de zerk met een doffe klap voorover valt, zie ik het jaartal: 1942. Hier komt abrupt een einde aan ruim vijftig jaar zacht rusten. De mannen in blauwe werkpakken voeren de hardstenen brokken weg op een kar; de wielen laten diepe sporen achter in het vochtige gras. Rechts, langs de druipende coniferen, scharrelt een stel dat op zijn leeftijd beter zou moeten weten, op zoek naar een vergetelheid, een onzichtbaarheid die hier alleen de doden is beschoren.

Eind vorige eeuw raakte de Oude Oosterbegraafplaats in Amsterdam vol en besloot de gemeente de Nieuwe aan te leggen in de Watergraafsmeer. In 1889 werd een prijsvraag uitgeschreven, die landschapsarchitect L. Springer won met zijn inzending onder het motto "Stof'. Drie jaar later werden de gebouwen opgetrokken: een kantoortje voor de doodgraver en woningen voor zijn knechten, een lijkenhuis met kamers voor de "doodschouw' en voor drenkelingen, en het ontvangstgebouw. Liefst had het gemeentebestuur hier een classicistisch gebouw gezien, maar de invloedrijke architect Cuypers, zelf een aanhanger van de neo-gothiek, wist ervoor te zorgen dat de opdracht ging naar A. Weissman, ontwerper van het Stedelijk Museum. Helaas zijn de fontein, het mausoleum, het crematorium en het columbarium uit het plan van Springer er nooit gekomen, en Weissmans bakstenen ontvangstgebouw is inmiddels vervangen door een killere schepping van een anonymus van Publieke Werken.

De Nieuwe Oosterbegraafplaats, met zijn ruim dertig hectare inmiddels twee keer zo groot als bij de aanleg, is Amsterdams antwoord op Père Lachaise in Parijs, met aardig wat beroemdheden onder fraaie graftekens. Tot degenen die hier hun laatste rustplaats hebben gevonden behoren dichter Potgieter, actrice Kleine-Gartman, politiek tekenaar Albert Hahn, schilder Melle en, broederlijk naast elkaar binnen één stenen omheining de schilders George Breitner en Willem Witsen.

Meindert Stokroos van het gemeentelijke bureau Monumentenzorg heeft er 65 uitgekozen voor een wandelgids, "In 't nokkend wee der ziele welt een traan'. Deze tearjerkende titel is ontleend aan een gedicht dat Betsy Perk ooit op de Oude Oosterbegraafplaats maakte bij het graf van Jacques Perk, heraut der Tachtigers, die inmiddels evenals vele tijdgenoten is verhuisd naar de "nieuwe' begraafplaats in het Watergraafsmeer. Stokroos' "gids' staat op zichzelf, maar maakt wel deel uit van de golf hernieuwde belangstelling voor begraafplaatsen als cultuurmonument.

Noodgedwongen begint de wandeling bij het grootste, zwaarste, meest protserige monument van het hele terrein: pal achter het ontvangstgebouw staat de granieten grafkelder van Van Heutz, gouverneur-generaal van Indië en verantwoordelijk voor de "pacificatie' van Atjeh. Geen wonder dat de dodenwacht wordt gehouden door twee krijgers met gebogen hoofd. En dit is nog door een jury uit vier inzendingen gekozen! Hier welt geen traan, maar weerzin. De teleurstelling is compleet als ik lees dat het ontwerp van Dirk Roosenburg is, de architect van een van mijn favoriete gebouwen in Amsterdam, de Sociale Verzekeringsbank aan de Apollolaan. Met grote kunsthistorische zelfbeheersing beperkt Stokroos zich tot de mededeling dat “graniet een dieptegesteente is dat op grote diepte in de aardkorst wordt gevormd”.

Zijn beschrijvingen doen wel vaker vermoeden, dat een poreuze fossielhoudende kalksteensoort de auteur meer kan bekoren dan de figuren uit het Amsterdamse politieke en culturele leven die eronder liggen. Maar nauwgezet is hij zeker. De beeldhouwer die de in 1914 verongelukte wielrenner Piet van Nek ten voeten uit op een zerk heeft afgebeeld, heeft zich niet vergist in de weergave van diens fiets, verzekert Stokroos. “De "omgekeerde' voorvork is typisch voor de fiets die werd gebruikt bij stayer-wedstrijden.” Over de begrafenis in 1931 van penningmeester Hendrik Maters van het Nationaal Arbeids Secretariaat, wiens graf wordt gesierd door twee bronzen knapen in sociaal-realistische uitvoering, weet hij te melden dat de interne conflicten zo hoog waren opgelopen, dat het muziekkorps van de syndicalistische gemeentewerklieden weigerde de stoet te begeleiden; ten langen leste was het brandweermuziekkorps daartoe bereid. Wat kan dat toch voor ruzie zijn geweest?

Sommige graftekens zijn niet alleen voor, maar ook door bekende figuren gemaakt. Op een prominente driesprong in het pad staat het monument dat stadsbeeldhouwer Hildo Krop ontwierp voor politiek tekenaar Albert Hahn (©0 1918). Het bestaat uit een hoog voetstuk (Muschelkalksteen) met daarop (Jurakalksteen) een arbeidersgezin dat fronsend naar de lichtende toekomst wordt voortgestuwd door "den Genius', die zelf inmiddels met het gezicht tussen de takken van de nabije conifeer zit. Droogjes noteert Stokroos: “In hoeverre Hahn zich een dergelijk monument gewenst zou hebben weten we niet.” In ieder geval was de SDAP met een aanzienlijk tekort blijven zitten, en bracht daarom ansichten van het monument voor een kwartje per stuk in de verkoop.

Nog maar een paar jaar later, in 1922, ontwierp Georgine Schwartze een marmeren grafmonument voor haar zuster, de kunstschilderes en "Amsterdamse Joffer' Thérèse Schwartze. De dode ligt opgebaard onder een soepel vallende draperie, met papavers op schoot en het naar het dodenmasker geboetseerde hoofd op een kussen. Hier gloort geen toekomst, hier wordt gerouwd en herinnerd in de beste negentiende-eeuwse traditie. Ze ligt er ook dramatisch, op een open grasperkje in een bocht van het pad, tegen een achterwand van bomen. Als ik mijn vingers langs het stenen gezicht laat glijden, zie ik dat de kunstenares ook in de dood nog trouwe bewonderaars heeft: tussen haar vingers is de steel van een zwarte plastic tulp vervlochten, en op haar borst ligt een verweerd kralensnoer.