Geschiedenisonderwijs zal weer over geschiedenis gaan; Het primaat van de politieke geschiedenis is verdwenen

Het vak geschiedenis en staatsinrichting in het voortgezet onderwijs heeft de afgelopen decennia aan belang ingeboet.

Door de invoering van de basisvorming en de nieuwe plannen voor de tweede fase van het voortgezet onderwijs zal de positie ervan nog verder verslechteren. Steeds meer leerlingen zullen het voortgezet onderwijs verlaten met een minimum aan historische kennis. Weliswaar is er in de basisvorming een behoorlijk aantal uren beschikbaar gebleven voor geschiedenis en staatsinrichting, maar het aantal uren is minder dan in de huidige situatie. Bovendien heeft staatssecretaris Wallage een vakkencombinatie voorgesteld in de basisvorming met aardrijkskunde en economie.

In de basisvorming kan slechts een fundament worden gelegd voor de historische vorming, omdat het abstractieniveau van leerlingen tussen 12 en 15 nog tamelijk laag is. Wanneer de vakken geschiedenis en staatsinrichting na de basisvorming niet meer behoren tot de verplichte vakken, moet worden gevreesd dat het Nederlandse historische besef nog verder zal verminderen.

Ook voor de bovenbouw lijkt de situatie allesbehalve rooskleurig. In de vervolgnota Profiel van de tweede fase voortgezet onderwijs is geschiedenis en staatsinrichting, in tegenstelling tot maatschappijleer, geen verplicht vak in het basispakket voor alle leerlingen. Slechts in een beroepsgericht profiel, "cultuur en maatschappij', is sprake van geschiedenis en staatsinrichting als verplicht examenvak. In het profiel "economie en maatschappij' is dit niet het geval, terwijl maatschappijleer in beide profielen wel een verplicht examenvak is.

Leerlingen, die één van de andere profielen nemen, kunnen in theorie geschiedenis kiezen in hun zogenaamde vrije, maar beperkte, ruimte. Wanneer daar ook vakken als aardrijkskunde, klassieke talen, moderne talen (inclusief nieuwkomers als Spaans en Russisch), en wellicht nog nieuwe vakken worden aangeboden, is het onwaarschijnlijk dat veel leerlingen geschiedenis zullen kiezen.

Als reactie op de geschetste ontwikkelingen bepleiten het Nederlands Historisch Genootschap (NHG) en de Vereniging van docenten geschiedenis en staatsinrichting in Nederland (VGN) geschiedenis in de beroepsgerichte profielen te versterken en als verplicht vak op te nemen in het basispakket van de tweede fase van het voortgezet onderwijs. Verplicht en dus meer geschiedenis betekent niet dat leerlingen dan wel alles van het verleden zullen leren. Docenten kunnen nooit volledig zijn bij de behandeling van de historie in hun lessen. Daarvoor is het werkterrein te breed. Wel kunnen zij zorgen voor een actieve belangstelling en een vruchtbare ondergrond.

Geschiedenis en staatsinrichting is al lang geen vak meer van uitsluitend jaartallen en feiten. De afgelopen decennia hebben zich enorme veranderingen voorgedaan. Het primaat van de politieke geschiedenis is verdwenen. Wie de moeite neemt de onderwijsmethodes voor geschiedenis te bekijken, ontdekt een boeiend, gevarieerd maar ook leuk vak, dat uit een breed perspectief de historie van de mensheid tracht te belichten. De afgelopen jaren nemen naast de meer traditionele onderwerpen ook vrouwen-, interculturele- en milieu-geschiedenis een vooraanstaande plaats in. Een noodzakelijke ontwikkeling voor een vak dat een afspiegeling is van historische ontwikkelingen van de maatschappij.

Een urgent probleem is het leerplan in de bovenbouw. De kritiek dat geschiedenis slechts een veredeld "Achter het nieuws' is (NRC Handelsblad, 8 januari), werd door docenten geschiedenis reeds lang onderkend. Het bij de Mammoetwet opgelegde 1917 als begin van de leerstof voor de bovenbouw, was al jaren een knellende band.

Tien jaar is er druk uitgeoefend op de bewindslieden van Onderwijs en Wetenschappen om een ander examenprogramma te mogen invoeren. Staatssecretaris Wallage heeft uiteindelijk begin 1992 een nieuw examenprogramma ondertekend, waarbij ondermeer de eis van 1917 is komen te vervallen. De vrijheid van onderwijs liet echter niet toe een kader van leerstofkeuzen aan dit programma toe te voegen. Hoewel het geschiedenisonderwijs buitengewoon tevreden is met de mogelijkheid om in de bovenbouw weer les te mogen geven over Willem van Oranje, het Romeinse rijk, Johan van Oldebarneveldt, de renaissance en Schaepman om maar enige voorbeelden te noemen, was het wel prettig geweest wanneer er duidelijker richtlijnen voor de leerstofkeuze waren geweest.