Gelijkheidsbeginsel

Ik struikel over de uiteenzetting van het "gelijkheidsbeginsel' van prof. dr. Grapperhaus (NRC Handelsblad, 26 januari).

Kort verwoord: identieke gevallen behandel je gelijk. Verschillende gevallen behandel je verschillend. Daarna stelt hij: “Als je zegt dat ondernemers minder belasting hoeven te betalen, dan wijk je ook af van het gelijkheidsbeginsel.”

Vergelijken we een zelfstandige ondernemer met een werknemer, dan zien we: - Dat eerstgenoemde, als gevolg van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid het risico loopt datgene waar hij voor gewerkt heeft weer te verliezen (bijvoorbeeld niet betalende debiteuren). - Dat, indien hij weinig verdient, een behoorlijke verzekering tegen arbeidsongeschiktheid onbetaalbaar is en een redelijke pensioenvoorziening ook. - Dat het verschil tussen de werknemer en de zelfstandige in de rol van werkgever, ook (met grote consequenties voor aansprakelijkheid) in ons arbeidsrecht wordt gehanteerd.

Het gelijkheidsbeginsel staat absoluut niet op gespannen voet met de Zelfstandigenaftrek en de Fiscale oudedagsreserve. Grapperhaus zegt ook: “Mensen zijn bereid om - desnoods veel - belasting te betalen mits ze weten dat de buren in een vergelijkbare situatie ongeveer hetzelfde betalen.” Dit "gelijkheidsargument' trek ik nog verder door: naar de privileges van Kamerleden met onbelaste onkostenvergoedingen, naar incompetente ambtenaren (en politici) die niettemin aanblijven of uitstekende wachtgelden krijgen, terwijl in het bedrijfsleven het marktmechanisme de gelederen steeds genadelozer uitdunt.

Als deze discrepantie tussen de private en de collectieve sector door het gelijkheidsbeginsel in evenwicht is gebracht, met wellicht als neveneffect dat het jaarverslag van de rekenkamer niet meer leest als een tragikomedie. Wie weet hoe graag de nog overgebleven belastingbetalers dàn willen betalen.