Fascisme

“Niet de wanhopige massa's, maar de wanhopige elites hebben Hitler aan de macht gebracht”, concludeert K.M. Schreiner terecht (NRC Handelsblad, 22 januari).

Hij treedt hiermee in de voetsporen van historici als Karl Dietrich Bracher, die al sinds de jaren vijftig stellen dat de rol van conservatieve elites doorslaggevend is geweest bij Hitlers machtsovername in 1933.

Toch lijkt het erop dat Schreiner eraan voorbijgaat dat een democratische staatsvorm en fascisme wel degelijk iets met elkaar te maken hebben. Niet dat fascisme een direct produkt van democratie was, zoals Heldring op 15 januari stelde; echter wel in de zin dat fascisme een post-democratisch fenomeen per se is. Wat een fascistisch regime onderscheidde van een andere dictatoriale regeringsvorm was niet de mobilisatie van de massa's. Dat kwam al voor in oude oosterse regeringsvormen (zie Karl Wittfogel's Orientallische Despotie). Wat een fascistisch regime anders maakte, was de legitimatie van macht via een democratische formule. Fascisme hoort thuis in een tijd, waarin het geloof in de parlementaire democratie ineenzonk. Het was vooral succesvol in landen die geen diepgeworteld parlementarisme kenden en waar de politieke bewustwording van de massa's niet in parlementaire banen gestroomlijnd kon worden. Het kon groeien door verval van traditionele normen en hiërarchieke waarden en werd versneld door een vernietigende wereldoorlog en economische malaise. Deze combinatie van omstandigheden maakte de opkomst van fascistische regimes mogelijk. Omdat de democratie al een geldende (zij het soms verzwakte) norm was, rechtvaardigde elk fascistisch regime zich via een volonté générale. Of die volonté er werkelijk was, is van secundair belang. De presentatie was essentieel. In deze zin was fascisme wel degelijk een bastaardkind van democratie.