D66 en SGP over gelijke behandeling"Verbod vrouwenlidmaatschap onwettig'

DEN HAAG, 9 FEBR. Mevrouw Grabijn-Van Putten (SGP) is zichtbaar uit het veld geslagen als D66-afgevaardigde Groenman haar de uiterste consequentie voorhoudt van de mogelijkheid dat de SGP aan vrouwen zal verbieden om lid te worden. “Het is een fundamenteel mensenrecht dat iedereen kan deelnemen aan het politieke leven”, zegt Groenman, “Als in de statuten van de SGP komt te staan dat vrouwen geen lid mogen worden, kun je met het VN-verdrag tegen vrouwendiscriminatie in de hand zeggen: "Regering, je hebt er voor te zorgen dat in Nederland aan dat verdrag voldaan wordt'. Dan zou de regering de SGP helaas moeten ontbinden.”

Aan de vooravond van de Kamerdebatten over de Algemene wet gelijke behandeling, die vanmiddag zijn begonnen, voeren L. Groenman, lid van de Tweede-Kamerfractie van D66, en H. Grabijn-Van Putten, tegendraads lid van de SGP, een gesprek. Als het gaat om het weren van vrouwen uit politieke partijen zijn ze het roerend eens. Dat mag niet. Maar over de kwestie van mogelijke homodiscriminatie door instellingen op confessionele grondslag, liggen hun meningen plotseling ver uit elkaar.

Grabijn is sinds 1984 lid van de SGP, kieskring Den Haag. Haar komst, en na haar de komst van nog zo'n 19 andere vrouwen, zorgt binnen het voormalige mannenbastion van de SGP in toenemende mate voor commotie. De statuten van de partij sluiten vrouwen niet uit van lidmaatschap. Dat werd niet nodig geacht, omdat SGP-vrouwen traditioneel toch niet actief waren binnen de partij. “Dat was zo vanzelfsprekend als het feit dat je blauwe ogen hebt”, zegt Grabijn. Inmiddels is er onder druk van de meest behoudende mannen binnen de partij een beweging op gang gekomen om vrouwen daadwerkelijk het lidmaatschap te verbieden.

Het wetsontwerp gelijke behandeling is na jaren politieke discussie in februari l991 door het kabinet ingediend met de bedoeling discriminatie wegens onder meer ras, godsdienst, politieke overtuiging of seksuele geaardheid in allerlei praktische situaties onmogelijk te maken. In het wetsvoorstel wordt discriminatie van vrouwen door politieke partijen niet expliciet verboden. “Dat is een omissie die ik het kabinet deze week wil voorhouden”, zegt Groenman, “anders kan dat zeer nare gevolgen hebben voor de SGP.”

De discussie rondom de wet gelijke behandeling richtte zich meestal op de mogelijke discriminatie van homoseksuelen door confessionele instellingen. Naar verwachting zal ook deze week in de Kamer hierop het accent liggen. De wet gold lange tijd als politiek dynamiet wegens de botsing tussen het grondwettelijk discriminatieverbod en de godsdienstvrijheid op grond waarvan kerkgenootschappen zichzelf een eigen beoordelingsvrijheid voorbehouden.

De coalitiepartijen hebben deze kwestie gepacificeerd door in de wet een formulering op te nemen die bepaalt dat instellingen van bijzonder onderwijs eisen mogen stellen die verband houden met de “verwezenlijking van haar grondslag”. Deze eisen mogen geen onderscheid maken op grond van “het enkele feit” van onder meer homo- of heteroseksuele gerichtheid. Maar zogenoemde bijkomende omstandigheden, zoals het samenwonen van een leerkracht met een partner van het gelijke geslacht, kunnen een christelijk schoolbestuur wel de mogelijkheid geven homoseksuelen te ontslaan. De oppositiepartijen D66, VVD en Groen Links veroordelen deze ontsnappingsclausule. Maar een Kamermeerderheid van in ieder geval CDA en PvdA zal naar verwachting het wetsvoorstel steunen.

Volgens Groenman vormt de politieke situatie het spiegelbeeld van die rondom de Euthanasiewet, waarover de Kamer vorige week debatteerde: “Daar zag je dat het CDA de norm kreeg: strafbaarstelling van euthanasie in de wet, en de PvdA de praktijk: straffeloosheid indien de arts zich houdt aan zorgvuldigheidseisen. Bij de wet gelijke behandeling is het andersom: de PvdA krijgt de norm: er mag niet gediscrimineerd worden, en het CDA de praktijk: bijzondere scholen kunnen langs een omweg wel degelijk homo's en lesbiennes weren. Dat is discriminerend voor goed opgeleide mensen, die goed met kinderen kunnen omgaan, maar die in de privésfeer bijvoorbeeld met iemand van hetzelfde geslacht samenwonen. Daar heeft een school niets mee te maken.”

Grabijn: “Daar denk ik anders over. Een school of instelling op christelijke grondslag, die zich baseert op de bijbel als woord van God, heeft geen bezwaar tegen iemands afwijkende seksuele geaardheid. Maar ik denk dat het voor een homoseksuele leerkracht heel moeilijk is les te geven overeenkomstig de bijbel, als hij zelf niet in lijn met die bijbel leeft. De school veroordeelt een homofiele geaardheid niet, maar heeft bezwaren tegen de homoseksuele praktijken omdat daaruit blijkt dat de persoon in kwestie afwijkt van de grondslagen van die school. Als een homoseksueel geaarde leerkracht belijdt dat de bijbel normatief is voor zijn handelen dan belijdt hij of zij daarmee impliciet alles wat ingaat tegen die praktijken.”

Grabijn vindt niet dat er wat dit betreft een parallel getrokken kan worden met de kwestie van het vrouwenlidmaatschap van de SGP. Al wordt ook daarvan gezegd dat het strijdig is met de bijbel, zij is niet van plan zich terug te trekken als lid. “Natuurlijk, de meest behoudende vleugel van de SGP zegt dat zij zich op de bijbel baseert. Maar ik heb de bijbel op dat punt goed bestudeerd en ik heb me daarbij laten leiden door zeer goede exegeten. Als ik in de bijbel gelezen had dat ik als vrouw geen lid mocht zijn van een politieke partij, dan had ik bedankt. Want ik beschouw de bijbel als uitgangspunt voor al mijn handelen. Ik kan me voorstellen dat de SGP op grond van de vrijheid van vereniging het recht heeft de partij te handhaven zonder vrouwen. Maar hoe zit het dan met de vrouwen die inmiddels lid zijn? De grondbeginselen van de partij zijn gebaseerd op de bijbel, die ik als woord van God absoluut onderschrijf. Maar de grondbeginselen zijn sinds ik lid werd in 1984 niet veranderd, en de bijbel is ook niet veranderd. Alleen de SGP is veranderd.”