Continentaler en Europeser

Tja, wanneer zelfs een Atlanticus pur sang als E.H. van der Beugel de opvatting onderschrijft dat Nederlands buitenlands en veiligheidsbeleid meer ge-europeaniseerd en meer op het continent gericht moet zijn, dan is er kennelijk iets aan de hand.

Waar hebben wij het over? Over een rapport dat een studiegroep onder leiding van M.C. Brands (en waarin ook Van der Beugel zat), in opdracht van de Atlantische Commissie, zojuist heeft voltooid over Transatlantic Relations and the Management of Disorder. (Ik kan er ook niets aan doen dat dit rapport alleen maar in het Engels beschikbaar is; Nederlanders die die taal niet of niet zo goed beheersen, zijn blijkbaar verwaarloosbaar.)

Uit dit rapport nu, valt te lezen dat Nederland zijn beleid meer moet europeaniseren en op het continent richten. Maar, let op, dat staat er niet direct. Het is er indirect uit op te maken: via Duitsland, waarbij Nederland zich nauwer moet aansluiten (should become more closely aligned). Dat staat wèl direct in het rapport.

En Duitsland zal, aldus het rapport, een “geleidelijke europeanisering” waarschijnlijk op den duur het meest in overeenstemming achten met zijn belangen (hoewel dat misschien niet “voor onbepaalde tijd” zo zal zijn...) en zal wellicht meer onderhevig zijn aan “meer "continentale' smaak” dan veel Nederlanders lief is.

U ziet het: het wordt niet alleen indirect, maar ook met veel slagen om de arm geformuleerd, maar de combinatie van een Nederland dat zich nauwer bij Duitsland moet aansluiten en een Duitsland dat Europeser en continentaler wordt, laat geen andere conclusie toe dan dat ook Nederland die richting uit moet.

Nu is die conclusie allesbehalve opzienbarend. Al in november heeft het CDA, bij monde van het Kamerlid De Hoop Scheffer (overigens ook lid van die studiegroep), gepleit voor een “oriëntatie op Duitsland” en heeft de PvdA'er Van Traa gezegd dat Nederland de Frans-Duitse samenwerking moest gaan “versterken”, met andere woorden: een meer continentaal beleid moest voeren.

Behalve dat die conclusie weinig opzienbarend is, is zij ook nogal logisch. De dreiging uit het oosten is voorbij. Die ratio voor de samenwerking met de Verenigde Staten heeft dus aan waarde verloren. Trouwens, de VS zijn “begonnen naar binnen te kijken” (aldus het rapport). Engeland speelt geen rol in Europa. Kortom, Nederlands traditionele tegenwichten tegen de continentale mogendheden zijn grotendeels weggevallen. Conclusie: Nederland moet Europeser en continentaler gaan denken.

Maar dit is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Zullen de twee grote continentale mogendheden Nederland met open armen verwelkomen - een Nederland welks minister-president onlangs nog heeft gezegd dat het zich “buitenlands-politiek gezien excentrisch” gedraagt en dat de Nederlanders door de anderen toch maar als “rare lui” worden gezien - een indruk overigens die Lubbers met zijn CDA-achtige en dus voor buitenlanders onbegrijpelijke rede te Davos alleen maar heeft versterkt (zozeer dat één van zijn Europese collega's na afloop zei dat Lubbers daarmee zijn kansen op het voorzitterschap van de Europese Commissie had verspeeld)?

In dit licht bezien, is het van de studiegroep enigszins boud wanneer zij ervan uitgaat dat Nederland een Europese buitenlandse en veiligheidspolitiek, waarvan de Frans-Duitse samenwerking de motor wordt genoemd, zou kunnen beïnvloeden (dit woord wordt tweemaal, en nog wel cursief, gebezigd) in de door Nederland gewenste, bijvoorbeeld pro-Amerikaanse, richting.

Die boudheid vinden we terug wanneer de studiegroep zegt dat Nederland zijn eventuele samenwerking met het Frans-Duitse Eurocorps - de integratie van een Nederlandse brigade daarin - afhankelijk moet maken van de inwilliging van voorwaarden (dit woord komt in dit verband ook tweemaal voor, waarvan één keer cursief). Zijn we zo interessant voor Frankrijk en Duitsland dat we voorwaarden kunnen stellen?

Behalve een nauwere aansluiting bij Duitsland, bepleit het rapport ook dat de Nederlandse diplomatie voortaan meer aandacht zal schenken aan de middelgrote en kleine Europese landen, die in sommige opzichten met soortgelijke problemen geconfronteerd zijn als Nederland. Terecht, want onder minister Van den Broek heeft Nederland, dat zich kleinste van de groten waant, die betrekking verwaarloosd. Vraag het maar aan de Belgen, de meest voor de hand liggende partners.

Ook de betrekkingen met de Middeneuropese landen die het dichtst bij Duitsland liggen (dus Polen, Hongarije, Tsjechië en Slowakije) dient Nederland te versterken. Daar is niets op tegen. Alleen moet de minister van buitenlandse zaken dan wel het geld krijgen om de posten daar behoorlijk te kunnen bemannen (of zou hij dat kunnen doen ten koste van de posten in landen die nu minder belangrijk voor Nederland zijn geworden?).

Met betrekking tot beide categorieën landen (dus de kleinere Westeuropese en de vier genoemde Middeneuropese landen) behoort het doel van de Nederlandse politiek te zijn “strategische bondgenootschappen” te sluiten, teneinde een gemeenschappelijke invloed op de toekomstige besluitvorming in Europa te kunnen uitoefenen. Akkoord, maar is hier niet eerder sprake van tactische bondgenootschappen? We moeten het woord strategisch niet nog verder devalueren dan al gebeurt.

Aan de conclusies en aanbevelingen van het rapport, waaraan in het bovenstaande kritische aandacht is besteed, gaat een uitvoerige analyse vooraf van de sinds 1989 grondig veranderde toestand in de Westerse samenwerking. Die analyse valt volledig te onderschrijven.

Alleen kom ik nog even terug op de taal waarin het rapport gesteld is: Engels (en, voor zover ik kan oordelen, geen steenkolen-Engels). Dat levert, ook voor de Engelssprekende Nederlander, problemen op. Wat, bijvoorbeeld, wordt met alignment bedoeld: aansluiting, oriëntatie, op één lijn komen, aanpassing? Tussen de Nederlandse woorden bestaan verschillen, soms meer dan alleen van nuance. Het kan dus zijn dat de buitenlander in zo'n rapport iets anders leest dan de Nederlandse samenstellers bedoeld hebben. Zo ja, dan is dat Engels een nadeel - niet alleen omdat het sommiger gevoel van nationale eigenwaarde kwetst.