Ware liefde (3)

Jaren geleden studeerde ik in een Duits studentenstadje op een Echte Kunstschool om een Echte Kunstenaar te worden. Op weg erheen kwam ik af en toe een vrouw van een jaar of dertig tegen die me steeds vaker toelachte en zelfs goeiendag zei. Ik was begin twintig en erg gevleid dat een mooie “veel en veel oudere vrouw” aandacht aan me schonk. Hoog op de benen. Strak mantelpakje. Zo blond en Duits dat ik haar soms niet durfde aan te kijken.

Toen ik een keer in een slagerswinkel achter haar stond, rook ik, ondanks de lucht van braadworst, frikadellen en gerookte spek, haar zware parfum, dat ik ongegeneerd opsnoof, alsof ze het speciaal en bovenal voor mij alleen had opgedaan. (Die ochtend, staande voor de spiegel, nadat ze haar mantelpak met moeite had dichtgeknoopt.) Eer ik insliep droomde ik van haar. Dat ze bij me kwam op mijn schamele studentenkamer. Dat ze bloemen meebracht en kaarsen aanstak. (Dat ze het gezellig maakte met iets liefs, waar ik zo van hou.) We dronken Glühwein die zo snel naar je hoofd stijgt. We gingen op mijn uitklapbare eenpersoonsslaapbank zitten waar ze het jasje van haar mantelpak zou uittrekken, omdat Glühwein zo warm en tegelijkertijd zo loom maakt.

Op een zondagochtend zag ik haar weer. Nu in gezelschap van een man in een vliegeniersuniform met een meisje aan de hand, terwijl zij achter een kinderwagen liep. Een echt knus, Duits familiegezinnetje zo te zien. Die man droeg een varkenskop onder zijn Luftwaffepet. Hoe kon zo'n mooie en bovenal bijzondere vrouw...

Maar goed. Ze groette me deze keer niet, maar keek me spottend aan, terwijl die man van haar me niet eens opmerkte.

In de rij op het postkantoor rook ik haar parfum en stond ze achter me. Met veel Sturm und Drang begon ik een gesprek over de overeenkomst, maar ook het hóógst interessante en bijzondere verschil tussen Duitse en Nederlandse postzegels. Even later zat ik met haar op een bank onder een lindeboom over mezelf op te scheppen. Ik geloofde haar op haar woord dat ze danseres had willen worden, maar dat varkenskopluchtpiloot ertussen was gekomen. Wel kinderen. Geen kunst.

Haar man was trouwens op nachtvlucht. Die avond zou ze bij me komen om Glühwein met me te drinken omdat ze net als ik van Heinrich Heine “schwärmte”. Zo gezegd. Niet gedaan. Ik zat de hele avond met een pan rode wijn met kruidnagelen op haar te wachten. Honderdmaal naar de deur. Honderdmaal het gordijn open. Een hele emmer doodgepruttelde wijn zelf opgedronken. Ik kwakte Heine in een hoek.

Volgende dag: liefdesverdriet. Ik liep tien keer langs de slagerij en even vaak het postkantoor in en uit. Ik ging onder de lindeboom zitten en zag haar in de verte aankomen, maar het was steeds iemand anders. Ik wist niets van haar. Niet eens hoe ze heette of waar ze woonde. Ik schreef in één nacht een serie liefdesballaden die er niet om logen, die ik altijd bij me droeg voor het geval ik haar mocht tegenkomen. Gloria. Dat gebeurde.

Ik gooide het pakje liefdesteksten in de kinderwagen met een blèrend kind dat sprekend op zijn vader leek. Ze kwam me opzoeken. Nog een keer en nog een keer. We werden ernstig verliefd. Een vrouw van over de dertig die speciaal ondergoed voor me droeg. (Dat was nog eens wat anders dan met die stomme, jonge meiden van de Kunstschool.) Pasteitjes, lekkere hapjes, drank uit de vliegenierskantine van haar man. Het kon niet op. Ze kwam steeds vaker. Op de meest onverwachte en ongeregelde tijden. Ze las me haar eigen gemaakte gedichten voor die ik erg slecht vond en dat op een lijzige toon.

Haar babbelzucht en betweterigheid begonnen me tegen te staan. Steeds vaker kwam haar mislukte danscarrière ter sprake. Ze deed me een spagaat voor die mislukte. Ik werd er moe van dat ze precies wilde weten waar ik uithing als we elkaar niet zagen. Ze maakte ruzie over de meisjesstudenten die boven mij op de zolder in afgeschotte kamertjes woonden. Ze stelde voor alles aan haar man op te biechten, om schoon schip te maken en van hem af te gaan, dan zouden wij samen immers altijd en voor eeuwig...

Ik verzon steeds nieuwe uitvluchten om haar niet meer te hoeven zien. Ik maakte zelfs haar dagelijkse brieven niet meer open, omdat ik wist dat ze daarin steeds maar weer opnieuw schreef dat ik haar enige, echte, ware liefde was.