Voorburg weigert te betalen aan afvaldebâcle; "Administratieve chaos' kenmerkte SAVA-project

VOORBURG, 8 FEBR. De gemeente Voorburg is niet van plan mee te betalen aan de kosten van het opheffen van het Samenwerkingsverband Afvalverwijdering Zuid-Holland West (SAVA). Wethouder J. Wijnants (milieu) van Voorburg vindt het niet terecht dat alle burgers van Voorburg een bedrag van 120 gulden moeten betalen voor een project dat hen niets oplevert. De totale van Voorburg gevraagde bijdrage bedraagt 4,6 miljoen gulden.

Voor zover bekend hebben alle andere gemeenten die deelnemen aan het SAVA inmiddels besloten wel mee te betalen aan de 120 miljoen gulden die de opheffing van het samenwerkingsverband met zich meebrengt. De schade wordt over de gemeenten verdeeld, naar rato van het aantal inwoners. Gemiddeld moet iedere inwoner van de SAVA-gemeenten 120 gulden betalen. Dat komt neer op gemiddeld zo'n 250 gulden per huishouden. Veel gemeenten, waaronder Den Haag, hebben besloten dit bedrag rechtstreeks te verhalen op de burger door de reinigingsrechten te verhogen.

Enkele jaren geleden besloten 22 SAVA-gemeenten samen een afvalverwerkingsinstallatie te bouwen in Leidschendam, de Gentegreerde Afvalverwerkingsinstallatie Zuid-Holland West (GAVI). Vorig jaar is besloten af te zien van de bouw, omdat de installatie door de verwachte afname van de afvalstroom niet rendabel zou zijn. Op het moment dat werd besloten niet te bouwen was er 120 miljoen gulden uitgegeven aan het opzetten van het project. Dat bedrag kan nog wat teruglopen als de al aangekochte grond weer wordt verkocht. Voorburg weigert haar deel te betalen omdat de gemeente zich vanaf het begin heeft verzet tegen het GAVI-project.

Volgens Wijnants werd het SAVA gekenmerkt door een “administratieve chaos”. Zo heeft het samenverwerkingsverband volgens de wethouder al grond aangekocht op een moment dat nog lang niet zeker was dat de GAVI gebouwd zou kunnen worden. Ook zou het dagelijks bestuur, dat bestond uit vertegenwoordigers van de gemeenten Den Haag, Leiden, Zoetermeer en Leidschendaam, zich gebonden hebben aan leveranciers, zonder toestemming van het algemeen bestuur.

Het SAVA legt op zijn beurt de schuld van het mislukken van het GAVI-project voor een groot deel bij de provincie en heeft in een brief gevraagd om een financiële bijdrage van de provincie.

Tot eind vorig jaar eiste de provincie Zuid-Holland, volgens de SAVA, dat afvalverwerking plaats diende te vinden in de eigen regio. “Op grond van deze harde bestuurlijke randvoorwaarde hebben de betrokken SAVA-gemeenten 120 miljoen gulden in het GAVI-project gestoken”, zo schrijft het SAVA in een brief aan de provincie. In een radio-interview op 23 december 1991 liet de Zuid-Hollandse milieugedeputeerde J. van der Vlist die eis echter ineens vallen, aldus het samenwerkingsverband. Die beleidswijziging van de provincie heeft een “volstrekt onbeheersbaar proces op gang gebracht dat alleen maar kon uitmonden in een afblazen van het GAVI-project”, schrijft de SAVA in de brief waarin zij een bijdrage van de provincie claimt. Door het openstellen van de provinciegrenzen ontstonden er goedkopere oplossingen voor het verwerken van Zuid-Hollands afval. “Er is hier sprake geweest van een welbewuste poging om het SAVA voor een fait accompli (voldongen feit, red) te plaatsen”, aldus de brief.

Naar aanleiding van de beleidswijziging van de provincie besloot de SAVA het bureau Berenschot een onderzoek te laten verrichten naar de levensvatbaarheid van een installatie in Leidschendam. Berenschot beval de SAVA vervolgens aan af te zien van de bouw van de nieuwe installatie, omdat de te verwachten afvalstroom op den duur zou afnemen. De economische levensvatbaarheid van de installatie zou daardoor in gevaar komen. Volgens Berenschot was het verstandiger contracten te sluiten met twee andere afvalverwerkingsinstallaties in de regio, de AVR in de Rijnmond en Geludo in Dordrecht.

Milieugedeputeerde Van der Vlist betitelt de claim van het SAVA desgevraagd als “absurd”. Volgens de gedeputeerde is er helemaal geweest geen sprake van een beleidswijziging. “Het GAVI-project is ingehaald door de ontwikkelingen op afvalgebied”, aldus Van der Vlist. Door de verwachting dat de afvalstroom zal afnemen, was het niet langer rendabel de GAVI te bouwen, vindt hij. De SAVA-gemeenten moeten juist blij zijn met zijn optreden, meent hij. “Als ik niets had gezegd, waren de burgers veel duurder uitgeweest.” Volgens Van der Vlist zou afval dat verwerkt zou worden in de GAVI 270 gulden per ton kosten, terwijl nu, inclusief de schade van 120 miljoen gulden, 220 gulden wordt betaald.

Ook het rijk wordt door de SAVA mede aansprakelijk gesteld voor het mislukken van het GAVI-project. Het Afval Overleg Orgaan (AOO), een adviserende instelling van de rijksoverheid, zou op voorstel van Van der Vlist hebben geadviseerd in het Tienjarenprogramma een maximale verbrandingscapaciteit voor de GAVI vast te leggen van 400 kiloton. Die prognose van het AOO leidde ertoe dat het voor gemeenten bindende Afvalstoffenplan van Zuid-Holland moest worden aangepast. In de eerste concepten van het Tienjarenprogramma, op grond waarvan het GAVI-project is ontwikkeld, werd uitgegaan van een verbrandingscapaciteit van 600 kiloton. De verminderde toegestane capaciteit maakte de GAVI onrendabel. Minister Alders (milieu) heeft inmiddels verklaard de SAVA een zaak van regionale instanties te vinden. Een bijdrage van het rijk is volgens hem niet terecht.