Vernieuwing defensie moet op een koopje

Te weinig raken de verschenen artikelen over de prioriteitennota van de minister van defensie waar het echt om gaat: Hebben wij straks nog een krijgsmacht waarin mensen werk willen doen waarvoor zij zijn opgeleid en vooral krijgen wij die mensen nog? Want laten wij eerlijk zijn, de maatschappij is momenteel niet zo gek op de krijgsmacht. “De maatschappelijke betrokkenheid bij de verdediging en de wisselwerking tussen maatschappij en krijgsmacht was en is een groot goed”, zo schrijft de minister van defensie Ter Beek op pagina 38 van zijn nota. Wie zal dat tegenspreken? Opinie-onderzoek zoals de Stichting Maatschappij en Krijgsmacht regelmatig verricht laat zien dat de maatschappelijke betrokkenheid als gevolg van de veranderde internationaal-politieke omstandigheden sinds de instorting van het Warschaupact steeds verder afkalft. Zo werd in het najaar van 1990 de noodzaak van de krijgsmacht nog door 80% van de Nederlandse bevolking onderschreven, terwijl dat cijfer precies een jaar later nog 65% bedroeg. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat die dalende trend in 1992 zal zijn omgebogen en de ontwikkeling dienaangaande mag dan ook zorgelijk worden genoemd.

Daarnaast spreekt de minister over de wisselwerking tussen krijgsmacht en samenleving. Het ligt voor de hand dat die wisselwerking, als gevolg van de aangekondigde feitelijke afschaffing van de dienstplicht, zowel in kwantitatief als in kwalitatief opzicht schade zal oplopen. Immers, tot op heden dienden ieder jaar zo'n 40.000 jongens een jaar in de krijgsmacht, en met z'n allen hielpen zij door middel van hun verhalen en ervaringen het beeld van de krijgsmacht in de samenleving levend te houden. Dat gaat veranderen wanneer volgens de huidige plannen van de minister op 1 januari 1998 Nederland zijn beroepsleger zal hebben.

Blijft de minister dus ook na 1 januari 1998 hechten - en hij zal dat wel moeten wil hij zijn leger vullen - aan die maatschappelijke betrokkenheid en aan die wisselwerking, dan zal de defensie-organisatie een grotere inspanning moeten leveren dan tot op heden het geval was. Over hoe en in welke vorm de krijgsmacht in de nabije toekomst de dialoog met de samenleving levend denkt te houden zwijgt de minister vooralsnog in alle talen. En dat is opvallend voor een minister die steeds gezegd heeft zo te hechten aan de interactie tussen de krijgsmacht en de samenleving.

Bovendien staat een van de succesvolste instrumenten die defensie daartoe op dit moment hanteert - de sprekerspool - op de tocht. Dit is een groep officieren, die vooral op verzoek van leraren maatschappijleer op middelbare scholen onderwijs geeft over het Nederlandse vredes- en veiligheidsbeleid. Daarbij wordt naar mijn ervaring nadrukkelijk niet getracht "zieltjes te winnen' of anderszins propaganda voor de krijgsmacht te maken. Er wordt gedurende deze lessen ruimschoots aandacht besteed aan onderwerpen als pacifisme, dienstweigeren, en de (milieu)overlast die een krijgsmacht met zich meebrengt. Mede vanwege deze objectieve benadering valt van de kant van het middelbaar onderwijs de laatste jaren een steeds toenemende vraag naar deze naar mijn idee belangrijke dienstverlening te constateren. Terecht stelde de minister in december 1991 in reactie op Kamervragen dan ook dat er, ondanks de noodzaak tot bezuiniging en afslanking van de defensie-organisatie, geen reden was de sprekerspool op te heffen.

Groot was dan ook mijn verbazing toen de minister in oktober 1992, opnieuw in reactie op Kamervragen, te kennen gaf dat zijns inziens het werk van deze sprekerspool op korte termijn nu wèl zou moeten worden beëindigd. Zijn motivering daarvoor was simpel: “De dringende noodzaak het personeelsbestand van de "centrale organisatie' (van het ministerie van defensie) te verkleinen”.

Onmiddellijk werd van verschillende kanten, bijvoorbeeld door de Atlantische Commissie en de Maatschappelijke Raad voor de Krijgsmacht, gewezen op de functie die het werk van de sprekerspool juist in deze tijd kan vervullen bij het door de minister zèlf zo belangrijk geachte fenomeen van maatschappelijke betrokkenheid bij de krijgsmacht. Minister Ter Beek toont zich echter Oostindisch doof voor de argumenten.

Hij volgt de adviezen van zijn ambtelijke rekenmeesters op, daarmee zijn eigen opmerkingen in de prioriteitennota over het belang van maatschappelijke betrokkenheid onderuit halend.

Immers, als hij die betrokkenheid echt zo belangrijk vindt, dan zou hij ook de bereidheid moeten hebben daar blijvend geld in te investeren.

Eén en ander wordt nog merkwaardiger wanneer men vervolgens de netto-opbrengst van de afschaffing van de sprekerspool in ogenschouw neemt. Op het totaal van de circa 4500 arbeidsplaatsen die de centrale organisatie van het ministerie van defensie nu telt, levert die een besparing van 7 stoelen op. En daarvoor wordt dan het enige instrument waarmee Defensie een zo belangrijke doelgroep als de middelbare schooljeugd actief tegemoet treedt, geofferd! Weer zo'n typisch voorbeeld van blinde bezuinigingswoede van deze regering waarbij niet is gedacht over de kostbare consequenties die de vandaag bespaarde gulden op iets langere termijn zal hebben. Immers, ook voor minister Ter Beek geldt het aloude adagium dat "wie de jeugd heeft ook de toekomst heeft'. Hij zal die jeugd de komende jaren nog hard nodig hebben, niet alleen daar waar het gaat om het toekomstig maatschappelijk draagvlak voor de krijgsmacht, maar in het verlengde daarvan ook met het oog op de 9300 vrijwilligers die hij jaarlijks voor zijn beroepskrijgsmacht zal moeten werven.

Een welwillende houding van de bevolking ten opzichte van de krijgsmacht begint met een goede kennis over de aard en doelstellingen van deze organisatie. Kennis die wordt verkregen door bijvoorbeeld het werk van 7 officieren van de sprekerspool. Wie dat niet ziet is 'penny wise" en "pound foolish'.