Moslimvrouwen dupe van onderzoek

De moslimvrouwen in Bosnië-Herzegovina hebben inmiddels net zo veel te duchten van de publiciteit als van hun verkrachters. De discussie over de vraag of de verkrachtingen en andere gewelddaden in het voormalige Joegoslavië voldoende onomstreden zijn, maakt duidelijk dat de door de onderzoekers gekozen methode potentiële slachtoffers per definitie op een zijspoor zet.

“De taak feit van fictie te scheiden en serieus onderzoek te verrichten is bijna ondoenlijk, omdat oorlogsgebieden ontoegankelijk zijn, getuigen niet kunnen of willen praten . . .” heet het in NRC Handelsblad van 30 januari. Het streven naar verificatie, het vaststellen van "echte feiten' in plaats van manipulatieve verhalen, is op zichzelf een goed uitgangspunt. Het is begrijpelijk dat autoriteiten beducht zijn voor de propagandistische kant van verhalen over de verkrachting van moslimvrouwen door Servische strijders, en daaropvolgende zwangerschappen die een rol zouden spelen bij de etnische zuiveringen.

Er zijn voorbeelden te over van informatie in oorlogstijd die inspeelt op elementaire sentimenten, en daardoor succesvol is. Tijdens de oorlog Irak-Koeweit was er sprake van een verhaal dat Irak complete ziekenhuisuitrustingen naar eigen land overbracht, en daarbij zelfs kinderen uit couveuses gooide. Het verhaal kwam uitgebreid aan de orde in het Amerikaanse Congres, en verscheen op de televisie. Achteraf bleek dat de informatie over de door Irak geroofde couveuses niet juist was. Het was echter wel bijzonder effectief geweest bij het verwerven van steun voor de Koeweitse zaak. Met dit recente voorbeeld in het achterhoofd wordt het manipulatieve karakter van informatie in oorlogstijd gebruikt als argument om de mogelijke misdrijven in twijfel te trekken.

Hoe terecht het ook is dat onderzoekers de Mazowiecki en Kalshoven zich willen baseren op feiten, het heeft wel geleid tot een buitengewoon vrouwonvriendelijke benadering. Twijfel over de vraag of er sprake is van systematische verkrachtingen is gebaseerd op twee negatieve feiten: ten eerste is er geen bewijs voorhanden van een vooropgezet plan van enigerlei overheidsinstelling tot het gebruik van verkrachtingen als strategie in de oorlog, en bovendien hebben de onderzoekers geen getuigen of slachtoffers weten te vinden van de verkrachtingen.

De gedachte dat er ten bewijze van het bestaan van een patroon van grove schendingen van vrouwenrechten gezocht zou moeten worden naar documenten die daarop wijzen, getuigt van verbazingwekkende naïviteit. De kans op het vinden van dergelijk bewijs is vrijwel nihil. Maar daarmee is de kous niet af: de maatstaf is niet het bestaan van een dergelijk instructie, maar het feitelijk gebeuren van verkrachtingen. Het tolereren van deze misdrijven valt onder hetzelfde verbod. Militaire superieuren zijn verantwoordelijk voor wat hun ondergeschikten doen, en daardoor evenzeer verantwoordelijk voor het nalaten in te grijpen. Willens en wetens toelaten dat vrouwelijke gevangenen worden verkracht is de superieuren toe te rekenen.

Verkrachtingen door militairen in oorlogstijd zijn verboden, en zijn zelden te kwalificeren als handelingen waarvoor slechts individuele verantwoordelijkheid bestaat. Het geval dat Heleen Habraken van Amnesty International aanhaalt van de vrouw die door een bewaker verkracht is buiten medeweten van de commandant, is voorbeeld van een misvatting (NRC Handelsblad van 30 januari). Het is een verbazingwekkend staaltje van vergevingsgezindheid: de dader handelde als een gewone crimineel, het heeft verder niets met de oorlog te maken. Dat de vrouw door die oorlog in gevangenschap terecht was gekomen, of dat dit niet één geval maar een van de vele gevallen was, verdwijnt aldus naar de achtergrond. Juist in oorlogstijd zijn de militaire superieuren verantwoordelijk voor het gedrag van hun ondergeschikten, mede in het licht van de verplichting de burgerbevolking te beschermen. Door de verkrachtingen op te vatten als een reeks individuele incidenten wordt het structurele karakter ontkend. Door daaraan voorbij te gaan verliest het probleem importantie: de internationale gemeenschap hoeft zich immers niet met individuele slachtoffers van individuele, commune misdrijven bezig te houden.

Dat deze theorie naar voren wordt gebracht door een vertegenwoordigster van Amnesty International is beschamend voor de mensenrechtenorganisatie, en geeft aan hoezeer vrouwenrechten buiten het blikveld van de organisatie vallen. Ook ten aanzien van verkrachting als mensenrechtenschending in oorlogstijd is Amnesty onvolledig geïnformeerd, het is meer dan eens voorgekomen dat massale verkrachtingen plaatsvinden tijdens een oorlog. Behalve de recentelijk in de publiciteit gekomen dwang-prostitutie van Koreaanse vrouwen in de Tweede Wereldoorlog, kan ook aan de verkrachtingen in Nanking (1937), Italië (1943) en Bangladesh (1971) worden herinnerd.

Het argument dat er weinig getuigenissen voorhanden zijn, doet evenmin recht aan de positie van de vrouwelijke slachtoffers. Habrakens standpunt dat ze geen boodschap heeft aan slachtoffers die niet willen praten, of aan het feit dat de cultuur van de moslims verkrachting onbespreekbaar zou maken, is onthullend. Dit impliceert immers dat Amnesty slechts optreedt voor weerbare slachtoffers, blijkbaar uitgaat van een slachtoffer met het profiel van een assertieve Westeuropese man.

Het feit dat er door de VN-deskundigen geen bewijs (hetzij in de vorm van documenten, hetzij getuigen) voor systematische verkrachtingen is gevonden, zegt meer over hun onderzoeksmethoden, dan over de werkelijkheid van de vrouwen in het voormalige Joegoslavië. Het onderzoek is uit verkeerde vooronderstellingen opgezet. Voorbijgaan aan het feit dat juist bij misdrijven als verkrachtingen, en alle macabere varianten van etnische zuivering waarover de media inmiddels berichtten, de getuigen naar alle waarschijnlijkheid niet zullen kunnen of willen praten, impliceert dat het onderzoek per definitie voor de slachtoffers niets oplevert. In strikt juridische termen weten we niet eens of ze eigenlijk wel slachtoffer zijn. De voorspelbare afwezigheid van technisch-juridisch bewijs had moeten leiden tot het gebruik van onderzoeksmethoden die toegesneden zijn op de situatie van de slachtoffers. Zonder te willen stellen dat het gebruik van ondeugdelijke onderzoeksmethoden op onwil berust, zou het van morele moed getuigd hebben naar doelmatiger methoden om te zien. Dat is niet eenvoudig, maar het zou recht hebben gedaan aan de wereldwijde bezorgdheid over de positie van de Bosnische vrouwen. Door de verkrachtingen in twijfel te trekken bij gebrek aan getuigen wordt niet voor het slachtoffer gekozen maar krijgt de dader het voordeel van de twijfel. Fysieke dwang wordt aldus gesanctioneerd door de internationale gemeenschap.

De suggestie van de kant van de Verenigde Naties dat er geen sprake zou zijn van systematisch verkrachten, spreekt boekdelen over de manier waarop het internationale recht, en in dit geval de deskundigen in VN-verband, omgaan met sekse-specifieke schendingen van de mensenrechten. Dat Amnesty International zonder blikken of blozen instemt met de onderzoeksresultaten geeft evenzeer te denken. Het monomane hameren op verificatie, het onomstotelijk vaststellen van feiten, is een uiting van een streven naar zekerheid dat voorbij gaat aan de positie van vrouwen als potentiële slachtoffers van zulke ingrijpende misdrijven als seksueel misbruik. De onjuiste uitgangspunten van de VN-deskundigen en Amnesty International leiden ten onrechte tot het marginaliseren van het probleem. Natuurlijk wordt er verkracht, maar het is toch ook oorlog? En, zoals we allen weten: oorlog is een mannenbedrijf.