Kees Verweyhal in Haarlem aanwinst voor Halsmuseum

Donderdag 11 februari wordt de Verweyhal geopend. 's Avonds kan iedereen van 18.30 tot 21.30 uur de nieuwe hal bezichtigen. De toegang is gratis.

HAARLEM, 8 FEBR. Alleen de naam van Kees Verwey prijkt boven een van de hoge boogramen van het statige negentiende-eeuwse pand aan de Grote Markt in Haarlem, naast de Vleeshal. Vanaf 11 februari, wanneer dit voormalige sociëteitsgebouw in gebruik zal worden genomen als tentoonstellingshal van het Frans Halsmuseum, zal dit pand dan ook de Verweyhal heten. Vanzelfsprekend is de eerste tentoonstelling in de hal gewijd aan het werk van Verwey, de Haarlemse schilder die zo oud is als deze eeuw. Maar zoals in de toekomst ook andere kunstenaarsnamen boven de boogramen zullen worden aangebracht, zo zullen er ook werken van "klassiek-moderne' schilders als Sluijters, Gestel en Kruyder uit het bezit van het Frans Halsmuseum worden getoond.

De eerste plannen om van het voormalige sociëteitsgebouw een tentoonstellingsruimte te maken dateren al uit de jaren zestig. Het kwam er nooit van om ze te realiseren. Maar toen een jaar of vijf geleden het gebouw tot HAT-eenheden verbouwd dreigde te worden, werden de oude plannen weer vanonder het stof gehaald. Voor een misschien wel beslissende impuls zorgde Kees Verwey zelf. Hij verklaarde zich alleen bereid zijn oeuvre aan de Stichting Kees Verwey te schenken als het zou worden ondergebracht in een afzonderlijk gebouw. Zijn eis is nu ingewilligd en de verwachting is dan ook dat hij zijn schilderijen en tekeningen inderdaad zal overdragen aan de Stichting Kees Verwey. De Stichting zal het dan in bruikleen geven aan het Frans Halsmuseum.

Het was ook Kees Verwey die voorstelde om voor de verbouwing van het sociëteitsgebouw Wiek Röling te nemen, de vroegere stadsarchitect van Haarlem en tegenwoordig hoogleraar aan de Technische Universiteit in Delft. Met een budget van 1,2 miljoen gulden (5 ton van de gemeente Haarlem en 7 ton aan sponsorgeld, bijeengebracht door de Stichting Kees Verwey) tot zijn beschikking heeft Röling, geassisteerd door architect Jan Bernard, gekozen voor een terughoudende verbouwing. Verschillende toevoegingen die zijn aangebracht in de loop der jaren, waarin het gebouw onder meer onderdak bood aan een bank en gemeente-instellingen, heeft hij intact gelaten. Zo is er praktisch niets veranderd aan het deftige, groenbetegelde trappenhuis dat in de jaren twintig van deze eeuw werd gebouwd. In de ruimten zelf heeft Röling nauwelijks ingegrepen. Op de vloeren ligt nu parket, de plafonds zijn voorzien van wit stucwerk, de wanden zijn lichtgrijs geschilderd en van de al bestaande, tamelijk duistere tussenverdieping is een tekeningen- en prentenkabinet gemaakt.

De belangrijkste ingreep van Röling is de bouw van een trap die is geplaatst tussen het oude groene trappenhuis en het nieuwe centrale trappenhuis en invalidenlift in het kleine pandje tussen Vleeshal en de Verweyhal. Rölings trap leidt via het prentenkabinet uiteindelijk naar een theekoepeltje, waar hij een paar accenten in primaire kleuren heeft aangebracht. Vanuit dit kleine dakgebouwtje heeft men een prachtig uitzicht op het kolossale dak van de Vleeshal en de St. Bavo Kerk. 's Zomers is ook nog het dakterras toegankelijk, vanwaar men, net als vroeger de heren van de sociëteit "Trou moet Blijcken', kan neerkijken op de Haarlemse bevolking die zich over de Grote Markt spoedt.