In de vuurlinie

EEN ACTIEVE bestrijding van rassendiscriminatie is de sleutel tot het minderhedenbeleid in Nederland.

De mooiste banenplannen en steun voor startende etnische ondernemers of voor inburgering van nieuwkomers schieten slechts over hun doel heen wanneer het dagelijkse klimaat er een van achterstelling is. Een waarlijk multiculturele samenleving doet niet te kinderachtig over een enkel lelijk woord - dan graag wel over en weer - of de andere wrijvingen van alledag. Maar het systematisch blokkeren van gelijke kansen treft het hart van het maatschappelijk verkeer en kan nooit worden gebagatelliseerd. De politie heeft dan ook de instructie “zorgvuldig” doch “voortvarend” te werk te gaan in gevallen van vermoede rassendiscriminatie.

Zo luiden de officiële richtlijnen, maar in feite zijn dat slechts “extra papieren in stoffige ordners”. Dat is tenminste het beeld dat oprijst uit een recent rapport van het onderzoekscentrum van het ministerie van justitie. Het doet suggesties voor een hele serie praktische verbeteringen, variërend van betere meldstaten tot nieuwe richtlijnen en het aanstellen van meer “discriminatie-coördinatoren” bij de politie. Het is ongetwijfeld nuttig, maar onwillekeurig rijst de vraag waarmee men bezig is wanneer nu al blijkt dat drie van de zes ondervraagde politie-coördinatoren de inhoud van de bestaande richtlijnen niet kennen.

HET PROBLEEM bij de politie zit naar het zich laat aanzien dieper dan de wijze van invullen van de dag- en nachtrapporten waarover het rapport ook een behartenswaardige aanbeveling doet. De politiepraktijk wordt gekleurd door de ervaringen in de maatschappelijke vuurlinies, en die betreffen in de huidige fase van de sociale ontwikkeling nu eenmaal veelvuldig vreemdelingen of minderheden. Dat leidt tot een zeker beroepscynisme bij de politie en het gevaar van verharding van de verhoudingen met de minderheden. Zoiets lost men niet op met richtlijnen. Om te beginnen is er openhartigheid nodig, die dan dient te worden gevolgd door een actieve bemoeienis van de lokale beleidsmakers, de zogeheten driehoek van burgemeester, officier van justitie en de politieleiding zelf.