Hoe korter bij Dordt

Wonderlijk dat de leer der predestinatie in verband wordt gebracht met de aanpassingsdwang die schijnt te heersen in hoge ambtelijke kringen ("Tussen wet en geweten staat de bureaucratie' van C.F. van Beusekom en E.M. Michiels van Kessenich in NRC Handelsblad van 19 januari).

Hoewel de theologische strijd van het twaalfjarig bestand beladen en ook wel gecorrumpeerd was door de politiek en hoezeer het theologisch opportunisme van prins Maurits de zaak beschadigd moge hebben, het was in wezen een geloofszaak, die de ziel van de mensen diep raakte. Het ging niet om aanpassing aan een systeem, maar om niet gedwongen te worden predikanten, wier leer door de kern van het gereformeerde kerkvolk als vals ervaren werd, als voorgangers te aanvaarden. Zelfs waren er vervolgingen van contra-remonstrantse voorgangers geweest. Toen de contra-remonstranten in de strijd, die hierdoor was ontstaan, door de op zichzelf bedenkelijke politiek van Maurits getriomfeerd hadden, was er de behoefte de leer nu duidelijk vast te stellen, en dat gebeurde te Dordrecht.

Dan komt het gezegde "Hoe korter (niet: dichter) bij Dordt hoe rotter het wordt' inderdaad aan de orde. Die Dordtse leer ligt namelijk dwars voor allerlei hoge ideeën die de mens van zichzelf heeft, ook voor optimistische strevingen naar een betere wereld en modern solidariteitsbesef. Om misverstand te voorkomen: ik sta achter die Dordtse leer, maar niet achter de uitwassen, zoals het afwijzen van verzekeringen en inentingen en ook de neiging zich in sekteachtige groeperingen af te zonderen. Maar deze uitwassen zijn niet het "rotte' van Dordt. Dat zit veeleer in het bovengenoemde dwarsliggende, anti-optimistische, anti-solidaire, dat voortkomt uit een diep besef dat God een verkiezend en verwerpend God is. Daarachter zitten bijbelteksten als: “Ik zal Mij ontfermen over wien ik Mij ontferm en barmhartig zijn over wien Ik barmhartig ben. Zo is het dan niet van hem die wil noch van hem die loopt maar van den ontfermende God” (Rom. 9:15,16). Dit leidt er inderdaad toe dat de gedachte aan een vrije wil van de mens verworpen wordt en dat men, staande in de leer van Dordt, afwijzend staat tegenover een evangelie dat "naar de mens' is.

Dit sombere, de mens laag schattende en met angstig ontzag aan God denkende wordt door christenen die wèl een evangelie "naar de mens' willen als "rot' gevoeld. De predestinatiegedachte, die in het geestelijk klimaat van "Dordt' leeft, heeft dus niets te maken met determinisme, noch met het maken of accepteren van een systeem waaraan niet te ontkomen is, maar met het geloof in een vrijmachtig God, Die tegelijk ontzagwekkende Majesteit is, en Die "vóór de grondlegging der wereld een zeker aantal mensen... naar het vrije welbehagen van Zijn wil uit enkel genade tot het heil in Christus verkoren heeft'' (Dordtse leerregels I,7).