Een sukkel in een minimaal, strak decor

Voorstelling: Dood van een handelsreiziger van Arthur Miller door Ro Theater. Regie: Peter de Baan. Vertaling: Barbara van Kooten. Decor: Judith Lansink. Spel: Geert de Jong, Lou Landré, Herman Naber e.a. Gezien: 6/2, Schouwburg, Rotterdam. Nog te zien: in het gehele land t/m 29/4.

De koelkast staat pontificaal in het midden. Niet alleen symboliseert het ding welvaart en vooruitgang, het Raymond Loewy-design dateert ook de handeling. Dit zijn de jaren vijftig, hoogtepunt van de Koude Oorlog en - bijna hetzelfde - hoogtepunt van de American dream. Naar dat laatste verwijst decorontwerpster Judtih Lansink ook dubbelzinniger. De horizontale lijnen in haar toneelbeelden, de leegte, de "internationale' stijl en de neonkleuren zijn citaten uit de schilderijen van Edward Hopper. Die schilderde eenzaamheid. En mensen die aan de bar van een wegcafé eeuwig op iets wachten.

En zo'n mens is natuurlijk Willy Loman, die formidabele sukkel uit Arthur Millers Dood van een handelsreiziger (1949). Na zijn zelfmoord die zijn vrouw en twee zoons de uitkering van de levensverzekering moet opleveren, zegt de oudste dat zijn vader "foute dromen' had. En inderdaad, die had hij - gezien zijn kwaliteiten, zijn karakter en die zoons. Willy, de handelsreiziger, wilde net zo rijk worden als zijn broer Ben. Hij wilde zijn Studebaker en zijn koelkast afbetaald hebben voor zij versleten waren. Maar uitgeblust en aan de kant gezet door zijn baas moest hij erachter komen dat hij dood meer waard is dan levend.

Het mooie van Willy, die immers de consequentie van dat verpletterende inzicht aanvaardt, is zijn hartstochtelijke zwak voor illusies. Zijn tragiek is dat zijn dromen door anderen zijn voorgeschreven. In het land van onbegrensde mogelijkheden heeft zelfs een Willy de kans om te slagen, zijn mislukking is hem dus ten volle aan te rekenen. En ook daarin gelooft hij: Millers anti-held is een slachtoffer in het kwadraat. En als zodanig een protest tegen onversneden kapitalisme.

De relevantie van de boodschap staat niet ter discussie, de structuur van Millers stuk wel. De schrijver maakt gebruik van ouderwetse flashbacks die vaak rijkelijk overbodige informatie verschaffen. Dat dit mislukte bestaan zonnig begon, is zonneklaar en ligt al besloten in de zich in het heden afspelende scènes. Wie dit stuk ooit in bekorte versie wil spelen, kan zich bij wijze van spreken beperken tot de scène waarin de zestigjarige Willy de wacht krijgt aangezegd door de zoon van zijn oude baas. De snotneus is ooit op zijn aanraden Howard genoemd.

Het Ro Theater speelt het stuk integraal - en uiterst zorgvuldig. Regisseur Peter de Baan heeft zich terughoudend opgesteld, ten faveure van de schrijver en van de decorontwerpster. De strakke, minimale vormgeving van Lansink enlichtontwerper Reinier Tweebeeke is de bepalende factor van deze enscenering. Willy's huis is slechts een contour en een café is een tafeltje en een naam in neon. De spelers krijgen alle ruimte, zou je zeggen, maar ze worden ook op afstand geplaatst. Ze lijken robotten in een laboratorium.

Ik kan de vreemde, zielloze indruk die de voorstelling achterlaat, niet anders verklaren. Lou Landré speelt Willy weliswaar ingetogen voor zijn doen maar nog altijd hartstochtelijk genoeg en toch raakt zijn lot me niet. En dat van zijn vrouw, een op zichzelf al net zo heldere rol van Geert de Jong, evenmin. De vlakke en toneelmatige vertolking van de zoons door Paul Kooij en Stefan de Walle komt de meeslependheid niet ten goede, maar ook die is slechts detail in een kunstmatig geheel. Het lijkt erop alsof de handelsreiziger weer slachtoffer is geworden. Van het succes van vormgevers in dit geval.