Diogenes schilderde weinig kritisch drieluik

Er zijn niet veel ontwikkelingen in ex-Joegoslavië die hoop rechtvaardigen.

Maar dat de menselijke geest ook in de ellende van een meedogenloze en uitzichtloze oorlog vitaal en veerkrachtig kan blijven, bewees de bejaarde moslim die gisteravond in Diogenes aan het woord werd gelaten. De man leidde de Diogenes-ploeg door Mostar, ooit de parel van Herzegovina, nu een collectie trieste ruïnes. Maar terwijl dagelijks granaten in de stad terechtkomen, maakte hij al plannen voor de wederopbouw: “We laten het er niet bij zitten. Mostar wordt in de oude stijl heropgebouwd, want Mostar is een stuk van ons.”

Diogenes schilderde gisteravond de actualiteit in ex-Joegoslavië met een drieluik dat bestond uit een portret van Mostar, een reportage uit Kosovo en een gesprek met Afrika- (en Joegoslavië-)kenner Basil Davidson. Wat de Diogenes-ploeg met dit drieluik precies voor ogen heeft gestaan - afgezien van het maken van mooie beelden - werd in de loop van dit uur niet erg duidelijk. In het portret van Mostar werden naast de vice-voorzitter van het comité voor de wederopbouw vooral soldaten aan het woord gelaten van de HOS, de Kroatische militie die Mostar verdedigt tegen de Serviërs die de bergen vanuit de stad beschieten. Erg kritisch is de Diogenes-ploeg daarbij niet te werk gegaan. Zo deelden HOS-jongens monter mee dat de Servische inwoners van Mostar inmiddels waren “verdwenen”; het woord "etnische zuivering' viel daarbij niet, ook al geniet de HOS een hoogst twijfelachtige reputatie waar het hun methoden betreft: ze maken geen gevangenen maar snijden Serviërs die hun levend in handen vallen gewoon de keel door. Wat bijvoorbeeld de oude moslim over de Kroatische beschermers denkt werd niet gevraagd. Ook een tweede thema, de conflicten tussen de Kroaten en moslims, bleef onderbelicht. De militieleden (motto: “vrede, geld en meiden”) stelden die conflicten voor als machinaties van de gemeenschappelijke Servische vijand en daar liet Diogenes het maar bij.

De bijdrage uit Kosovo was al evenmin erg evenwichtig. Kosovo is het toneel van een meedogenloze onderdrukking van de Albanese meerderheid door de Servische minderheid, een onderdrukking die nog het meest doet denken aan de apartheid in zijn grofste gedaante. De Albanezen proberen zich in leven te houden door "ondergronds' te gaan en parallelle structuren te scheppen.

Die tegenstelling kwam gisteren in geen enkel opzicht uit de verf. Er werden wat Albanese boeren en jongeren opgevoerd die klaagden over de repressie, maar Diogenes liet verder vooral Serviërs aan het woord: nonnen die fijntjes wezen op het feit dat de Albanese buren van hun klooster tien, respectievelijk veertien kinderen hebben - een verwijzing naar de "demografische val' waarvan de Serviërs zich in Kosovo het slachtoffer voelen. Een andere non mocht de stelling poneren dat de Serviërs door de Albanezen uit Kosovo zijn “verdreven”, zelfs al ten tijde van Tito, en de kolonel mocht zich eufemistisch verbazen dat “de Albanezen niet meer zo gastvrij zijn”. Deze uitlatingen, geheel of gedeeltelijk onzinnig, bleven zonder weerwoord.

Wat Basil Davidson in dit programma deed bleef raadselachtig. De Diogenes-redactie had zich in haar keus ongetwijfeld laten leiden door Davidsons vorig jaar verschenen boek The Black Man's Burden, waarin Davidson veel zinnigs schrijft over het falen van het concept van de natie-staat in Afrika en parallellen legde met de opkomst van de natie-staat in Servië, Italië en Roemenië. Maar daar ging het gesprek niet over: het bleef steken in Davidsons herinneringen als Brits verbindingsofficier bij Tito's partizanen in de oorlog en liep tenslotte uit op een reeks algemeenheden, die niet bijzonder zinvol en terzake waren. Om maar één voorbeeld te noemen: om het contrast aan te geven tussen de smerige burgeroorlog van nu en de Tweede Wereldoorlog schilderde Davidson het beeld van de idealistische kinderen van Srem die indertijd de bergen van het trotse Bosnië binnentrokken om de Duitsers te bestrijden; om hun heroïek te onderstrepen tekende hij aan dat een op elke negen Joegoslaven die oorlog niet overleefde. Kortom: de "schone' oorlog van toen versus de "smerige' van nu. Maar ook Davidson weet best dat die Tweede Wereldoorlog niet alleen een strijd tegen buitenlandse bezetters maar óók een verre van schone burgeroorlog van Joegoslaven tegen Joegoslaven is geweest, en dat heel wat meer Joegoslaven zijn gedood door mede-Joegoslaven dan door de bezetters.