De malaise van het Europese fin de siècle

Het meeste dat aan rapporten, studies, adviezen rond het Binnenhof verschijnt, is lang, en geschreven in een functionarissen-lingo dat er op is gericht de kring van ingewijden zo klein mogelijk te houden.

Zo niet de vorige week in Den Haag gepresenteerde studie "Transatlantic relations and the management of disorder'. Zij is weliswaar in het Engels is gesteld, maar de betreffende studiegroep is ongebruikelijk duidelijk en openhartig in haar oordelen, bij het cabareteske af.

Over Frankrijk en de Fransen bijvoorbeeld: “Een oprechte overtuiging uniek te zijn op deze aarde, een bereidheid zichzelf te laten zien (veel meer dan Groot-Brittannië tegenwoordig) en irreguliere virtuose demonstraties van diplomatie zijn niet genoeg om te voorzien in het benodigde gewicht om een significante geo-politieke rol te spelen.” Het zal niet makkelijk zijn geweest voor de Franse ambassadeur om bij zijn rapportage aan Parijs de ingebouwde ironie in deze tekst weer te geven.

De rapporteur van de studiegroep is Frans Bletz, adjunct-directeur van de staf van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en voormalig journalist. In het taalgebruik herkent men echter ook trekjes van de voorzitter, de Amsterdamse hoogleraar eigentijdse geschiedenis, Maarten Brands, wier toespraken ook geregeld iets van een conférence hebben. In de groep, die studeerde in opdracht van de Atlantische Commissie, zaten verder parlementariërs, academici en hoge ambtenaren.

Het hoofdstuk over Frankrijk is getiteld "Frankrijks verloren illusies'. Een citaat: “Na de koude oorlog heeft de Franse buitenlandse politiek geregeld in tegenspraak met zichzelf geleken. Parijs was tegen snelle Duitse hereniging toen het al duidelijk was dat het zou moeten toegeven. Het is de meest openhartige opponent van een snelle uitbreiding van het EG met Middeneuropese landen, daarbij deze landen nog sterker in de Duitse invloedssfeer drukkend.

(...) “Men zou kunnen beweren dat als Frankrijk een normaal land was het reden zou hebben zijn zegeningen te tellen. De Fransen worden niet geconfronteerd met een onmiddellijke dreiging van buiten (anders dan, wellicht, bevolkingsdruk vanuit Noord-Afrika), zij hebben met succes grote delen van hun economie gemoderniseerd en hebben inflatie onder controle gekregen. Hun land verheugt zich in een hoge levensstandaard en ze hebben nog steeds aanzienlijk sociaal en cultureel prestige in grote delen van de wereld. Maar Frankrijk wil niet (gewoonweg) normaal zijn. Misschien hebben zijn leiders het nodig te blijven kleven aan noties als grandeur om de in deze zeer individualistische natie (opmerkelijke) consensus op het terrein van buitenlandse politiek te beschermen.

“Nu er geen glorieuze vooruitzichten zijn en de beginselen van zijn buitenlandse politiek behoorlijk aan het wankelen zijn gebracht, lijkt de Franse diplomatie niet op haar gemak en kronkelt en draait in vergeefse pogingen haar greep op de Europese zaken te houden. Temidden van zo veel verloren illusies is het nauwelijks een troost dat fin de siècle en malaise Franse woorden zijn.”

De Britten krijgen er ook van langs in deze studie. Er staat ondermeer het volgende: “De Britse houding tegenover de EG vertoont een betreurenswaardige consistentie, in die zin dat het Verenigd Koninkrijk bij voorkeur eerst beleidsinitiatieven verwerpt, daarna probeert ze af te zwakken, vervolgens zich verplicht voelt mee te doen, maar blijft morren en zondebokken zoeken voor het gebrek aan Britse succes. Verre van "Europa te leiden', zoals Britse politici op hun partijconferenties plachten te verkondigen, drijft Groot-Brittannië, triest genoeg, in de richting van een randpositie in de Gemeenschap.”

Geen wonder dat de studiegroep pleit voor blijvende Amerikaanse aanwezigheid en voortgezet Amerikaans leiderschap in Europa. De alternatieven zijn immers buitengewoon somber. (RM)