Club van Schiermonnikoog hanteert versleten leuzen

De Club van Schiermonnikoog - een initiatief van enkele journalisten en jonge ondernemers - heeft zich vorige maand met een manifest gepresenteerd als een nieuwe politieke beweging, die geen politieke partijvorming nastreeft, maar het oude denken over de democratie wil vernieuwen. In de hiernavolgende beschouwingen leggen Peter Delahay en Johan Schaberg uit wat zij met hun beweging beogen en levert Mary van Veen kritiek op het manifest van de Club.

Vijfentwintig mannen en vrouwen gingen naar Schiermonnikoog om in rust en concentratie over de zorgen van onze tijd te praten: "Staat onze samenleving op het punt van breken? Zijn wij wel in staat om met onze oude structuren een antwoord te geven op de talrijke nieuwe vragen die ons overspoelen? Moeten wij ons niet dringend bezinnen op verandering en dan niet zo'n beetje maar fundamenteel?' De Club van Schiermonnikoog stelde een beginselverklaring op, geheten "de Duinrede'. Wij zouden onszelf tekort doen als we die niet serieus nemen, want de problemen in de samenleving zijn complex en de dilemma's groot.

De Club is "Op zoek naar waarden voor een nieuwe ordening'. Welke ordening hebben zij echter op 't oog? Daarop geeft de Duinrede geen antwoord. Zij stelt vooralsnog open vragen en in de begeleidende brief bij de Duinrede meent de Club dat “die vragen heilzamer zijn dan de pseudo-antwoorden die de huidige politieke en bestuurlijke structuren bieden”.

De woordkeuze is verdacht: De “pasklare antwoorden van overheid en politiek” noemt de Club "pseudo' terwijl er van de Club zelf geen antwoord mag worden verwacht. Vrijblijvend vragen stellen en antwoorden open houden is een luxueuze positie: het comfort van de oppositie, van de kritiek. Besturen vraagt om antwoorden in de vorm van handelen. Uit de positie die de Club kennelijk verkiest is het wel makkelijk de huidige politieke antwoorden als "pseudo', onecht of vals te bestempelen.

De Duinrede stelt vragen, houdt antwoorden achter of geeft vage antwoorden. Met dit soort retorische kunstgrepen speelt de Club in op - enkele begrijpelijke - gevoelens van ontevredenheid. Het risico om duidelijke stellingen te betrekken en te verdedigen neemt de Club niet. Het perspectief in de Duinrede verschuift voortdurend. Het is onduidelijk wie er aan het woord is. Eerst lijkt het "wij Nederlanders', dan "wij de opstellers van het pamflet'. Bij het verder lezen wordt de groep steeds meer tot de bevoorrechten beperkt: “de burger heeft zijn personenauto en personal computer”. Het lijken de have's, de bevoorrechten, namens wie de opstellers spreken. Het perspectief van de bevoorrechten zet zich door: volgens het pamflet bestaat er geen armoede in onze samenleving. Het gaat gemakshalve voorbij aan verschijnselen als discriminatie en zwarte circuits. Volgens de Duinrede wordt de mens meer en meer op zijn kwaliteiten beoordeeld en niet op zijn afkomst en achtergrond. Aan de technologische vooruitgang en de wetenschap zouden we alle welvaart en goeds te danken hebben.

De Club gebruikt merkwaardige beeldspraken voor de maatschappij of voor de verhouding overheid-burger. “De overheid is verslavend”, “de afhankelijke burger” is “verslaafd aan de drugs van de materiële consumptie en van een collectieve pseudozekerheid”. Kortom, volgens de Club is de burger een "junkie die een pijnlijke ontwenningskuur moet ondergaan'. Maar de overheid heeft wel steeds "de pillen verschaft waar wij om vroegen'. Een bekende metafoor is die van de zieke samenleving. De Club wil "een gezonde en rechtvaardige verdeling van de welvaart', wat dat ook moge betekenen. Dreigend laten de Club erop volgen: "Het wordt een behandeling die pijn kost'. Die onbekende en pijnlijke behandeling is wel "de enige manier om persoonlijk, maatschappelijk en ecologisch weer in balans te komen'. Het begrip "ecologie' wordt even geëtaleerd maar komt in de rede verder nergens terug.

De Club bedient zich van metaforen waarbij de burger wordt afgeschilderd als een onmondig, onvolwassen wezen, dat dringend strenge maar rechtvaardige sturing behoeft. De Club droomt dan ook van een coachende overheid die "ondeugd bestraft en deugd bemoedigt' en meent dat burgers zich noodzakelijk "in het leerproces bezeren'. Daarentegen vindt zij ook dat diezelfde overheid moet erkennen "dat haar mandaat door de burgerij is gegeven, en dat de burger dat per definitie niet bedoeld heeft om zichzelf onder voogdij te plaatsen'. Deze inconsequentie doet in de burger een recalcitrante puber vermoeden, die nu eens gecoached wil worden en dan weer vrij spel wil krijgen van een en dezelfde overheid, een goedmoedig soort hockeyvader.

In de Duinrede zijn de bevoorrechten ontevreden. Sterker nog, het bestaan van de bevoorrechten heeft ingeboet aan zin onder meer omdat "het geven is afgepakt'. Daarvoor in de plaats is "de automatische inhouding op het loonstrookje' (...) gekomen'. En dan is de aardigheid er af. Met de dankbaarheid en de onderdanigheid van de ontvanger is kennelijk een belangrijke zingeving van het geven verdwenen.

Het is een grote verworvenheid van onze maatschappij dat de have not's, de minder bevoorrechten, minder direct van de bezitters afhankelijk zijn dan vroeger. Wie van hen zou weer object van geven willen worden? Uit de klacht over het afgepakte geven blijkt bovendien de wens meer invloed op geldstromen te hebben, want juist die invloed is met het geven verdwenen. De behoefte aan het weer zichtbaar worden van geven en ontvangen staat echter in schril contrast met de bijbelse notie: laat uw linkerhand niet weten wat uw rechter doet.

De overheid heeft het allemaal gedaan. Het is een oud liedje, niet origineel, en het is minder dan een halve waarheid. Misschien zullen er straks zwevende kiezers neerdalen op "het platform van Schiermonnikoog', reikhalzend naar "de nieuwe politieke en sociale visies' die de Club belooft.

De opstellers doen alsof zij de verontrusting en de ontevredenheid hebben uitgevonden. Zij, en hun in het geschrift vermelde geestverwanten, zitten op belangrijke posities in de pers en het zakenleven. Dat geeft de Club voor mensen die daarvoor gevoelig zijn een zekere aantrekkelijkheid en gewicht. Succes is echter geen garantie voor kwaliteit.

Het engagement, het idealisme van de Club, als je het zo mag noemen is regressief. Het grijpt terug, naar de liefdadigheid, naar oude grenzen, naar paternalisme. Onze Koningin zei in haar Kersttoespraak: “het gaat niet om een poging tot "restauratie' vanuit een gevoel van heimwee naar "goeie ouwe tijden'. Respect voor opvattingen van anderen, geduld, wellevendheid, begrip en verantwoordelijkheid voor elkaar en mededogen met zwakken en misdeelden zijn maatstaven voor menselijk handelen die een samenleving bijeen houden”. De Duinrede heeft weinig op met christendom, socialisme, liberalisme of met "de verbeelding aan de macht'. Waar de inspiratie ook vandaan komt, als maar niet de wrok tegen de samenleving het wint van de verontrusting erover. Idealisme - het hoeft niet per se in een drama te eindigen.

Bovenstaand artikel is een enigszins verkorte weergave van de publikatie in het maandblad voor religie en socialisme Tijd en Taak.