"Britse kunstverkoop barbarij'

LONDEN, 8 FEBR. De portretten van Koning Willem III en zijn gemalin, de Britse koningin Mary II, in de Britse ambassade in Den Haag, worden mogelijk verkocht aan de meest-biedende.

Het Britse ministerie van financiën is zo wanhopig op zoek naar inkomsten om het overheidstekort (nu geraamd op 1 miljard pond per week) te dekken, dat zij overweegt 's rijks kunstbezit van de hand te doen. Daartoe behoren honderden portretten van beroemde Britten, talloze landschappen, stadsgezichten en stillevens, alsmede naakten en een aantal abstracte schilderijen uit de twintigste eeuw. Een deel van de collectie hangt te kijk in ambassades en overheidsgebouwen. De waarde van het bezit loopt in de miljarden ponden. De Britse kunst-en museumwereld staat op zijn achterste benen en spreekt nu al van “hersenloos vandalisme” “barbarij” en “monsterlijk.”

Het ministerie voor het nationaal erfgoed, dat verantwoordelijk is voor de kunstcollectie, en de conservator van de collectie, Dr Wendy Baron, verzetten zich uit alle macht tegen het plan. Ideologisch gezien vinden ze het verwerpelijk om een collectie open te breken die een geïntegreerd beeld geeft van de cultuur van de Britse samenleving. Maar de kunstwereld voert ook een financiëel motief aan. Het zou onverstandig zijn om de markt te overvoeren met honderden Gainsboroughs, Sickerts, Hockneys, Sutherlands en anderen op een moment dat er door de recessie toch al nauwelijks vraag is.

Eén van de meest uitgesproken tegenstanders van de suggestie van de Treasury is Sir Roy Strong, voormalig directeur van het Victoria & Albert Museum in Londen.

“Deze verkoop is opnieuw zo'n idee dat voortvloeit uit de Thatcher-doctrine, net als de verkoop van de Britse Spoorwegen. Hierna is zeker de Church of England aan de beurt. Dit voorstel brengt een slag toe aan de Britse beschaving - een van de weinige internationale banieren die nog niet aan rafels is,” aldus Sir Roy. “In elke Britse ambssade hangen schilderijen uit de verzameling. Ze tonen de lang bestaande relaties tussen twee landen en ze verschaffen een buitengewone diepte en kracht aan onze geschiedenis, zoals die wordt waargenomen door andere landen.”

Lord Healy, de voormalige minister van financiën voor Labour, heeft al verzet in het Hogerhuis in het vooruitzicht gesteld. Hij vergelijkt de mogelijke verkoop met die van “een nationaal monument aan een pretpark - niet dat deze regering daar te goed voor is.”

Een soortgelijke reactie komt uit de antiekwereld, waar George Levy, handelaar in oude kunst en voormalig voorzitter van de British Antique dealers Association zegt: “Straks zeggen deze mensen nog dat we de schilderijen in de National Gallery moeten verkopen, zodat we het gebouw als hotel kunnen inrichten.”

En allerwege wordt de beroemde uitspraak van wijlen de Conservatieve premier Harold MacMillan aangehaald, die zich over de hang naar privatisering uitsluitend om het financiëel gewin in 1985 liet ontvallen, dat die trend gelijk stond aan de verkoop van het familiezilver. “Eerst gaat het achttiende eeuwse zilver, dan gaan de Canaletto's en dan zijn alleen de twee Rembrandts nog over.”