Zijn Calvinisten gelukkiger?

De vraag stellen is hem beantwoorden. Ik ga er maar even van uit dat u de vraag in de kop gelezen hebt. Ik denk namelijk van wel.

Het heeft met van alles te maken, met discipline, met arbeidsethos, met punctualiteit, met esprit-de-corps en met, natuurlijk, Calvijn, allerlei begrippen en woorden waarvan ik ineens, nu ik ze opschrijf, besef dat ze in de oren van velen onaangenaam zullen klinken. Het zijn in vele disciplines "verkeerde' woorden, waarbij men het ene woord discipline flink moet scheiden van het andere woord discipline.

Het komt mij voor dat geluk vooral dan voorkomt waar we "iets niet hoeven'. Er zijn nog andere mogelijkheden, maar daar heb ik het nu even niet over. Er was zelfs het voorbeeld van de man die gedurende lange tijd met zijn hoofd tegen de muur bonsde. Op de vraag waarom hij dit deed, antwoordde hij: ""Het voelt zo prettig als je er mee ophoudt.''

Het gevoel van geluk als iets niet hoeft impliceert dat het eens wèl heeft gehoeven, of, in het Nederlands, dat het eens wel moest. Uitslapen, voor degenen althans die dat prettig vinden, is slechts dan leuk, als men op andere dagen vroeg op moet, of misschien als men zijn hele leven vroeg op moest, en nu, pensioengerechtigd, dat niet meer hoeft.

Ik geef toe, het is een kwestie van instelling.

Soms heeft Calvijn ons zo in zijn macht dat we ons zelfs tijdens een dolce far niente ongemakkelijk voelen, opgejaagd door een heilig moeten wat ons het plezier van het nietsdoen vergalt. Daar is natuurlijk geen kruid tegen gewassen.

De arme boer in Brazilië die met vreze ziet dat de koffieprijs daalt, is niet blij met het feit dat hij tussen acht en negen uur niet in een file hoeft te staan.

Maar ik wel.

Hoewel ik nooit beroepsmatig in files heb hoeven staan, ben ik toch elke morgen weer een beetje blij als ik op de radio de files hoor en besef dat ik daar niet sta. De tijdverspilling, de verspilling van levensuren, dat zou ik erg vinden. Ik ben dus dubbel tevreden dat ik een baan heb waarbij dat niet voorkomt, en ik ben ook blij, dat, hoewel mijn leven zich niet aan één lijn gehouden heeft - op mijn vijfenveertigste wist ik pas zo'n beetje wat ik wilde worden - ik daar toch enige invloed op gehad heb, op dat feit. Van die file.

Geluk betekent, mijns inziens, het beseffen van aardige dingen, van mooi weer, van lelijk weer, van lekker in je bed liggen als je moe bent, van mooie dingen bekijken, en ga maar door, al die dingen waar halfzachte schrijvers en dichters zo over opgeven.

Ik weet honderd procent zeker dat er op het schoolpein waar al die kinderen nu in hun vaak lelijke kleren rondlopen (een dichteres zei: ""Die zijn weer naar de lelijke klerenwinkel geweest'') geen granaat valt. En dat ze niet onder sluipschuttervuur komen te liggen (waar je bijvoorbeeld in de VS helemaal niet zo zeker van kunt zijn).

Als ik twee agenten aan zie komen in de straat hoef ik niet aan de overkant te gaan lopen. En als ik in een politiecel terecht kom is de kans op letsel klein, omdat ik blank ben en netjes spreek. Ook in een land waar de politie zich het beste gedraagt van alle landen.

Het ontbreken van angst is een groot goed. Daar hoef je niet voor in een angstig land te hebben gewoond om dat te beseffen. Ik heb ook geen honger. Sterker nog het gesprek gaat er vaak over hoe we magerder moeten worden.

Calvijn gaf ons arbeidsethiek, Hij of iemand anders, vader Drees misschien. Als ik dit stukje af heb, ben ik blij. Ik ben twee keer blij zelfs, want zaterdag zie ik het, als het meezit, in de krant staan. Ik ga dan ook geloven dat het allemaal waar is, want het is gedrukt. Als het werk af is, komt er een gelukzalig gevoel. Sommige mensen hebben dat al tijdens het werk, mensen met een vooruitziende blik, of mensen die van hun hobby hun werk maken. Maar ook daar raakt wel eens iets af, waar ze met genoegen en trots op terugkijken.

Gisteren sprak ik iemand die zijn hele leven adviseur is geweest. Aardig werk, maar de meeste van die bedrijven zijn nu failliet. Er is dus niks om op terug te kijken, maar het ontbreken van de heilige noodzaak aan het werk te gaan was hem al genoeg. Het was gelukzalig om 's ochtends wat langer in bed te blijven, hoewel hij er soms wat ongemakkelijk van werd als zijn vrouw tegen hem zei: ""Zal ik je even een kopje thee brengen.'' Ik kan toch niet mijn verdere leven lang uitslapen dacht hij dan, toch enigszins getergd door C.

Toch genoot hij van het ontbreken van "moeten'.

Vanmorgen zat ik in de bestralingswachtkamer van een groot ziekenhuis. Er kwam een opgewekte man binnen die er veel jonger uitzag dan de zeventig die hij vertelde te zijn. Hij had een enorme operatie achter de rug, maar het had niets geholpen, zei hij. Hij had nog maar twee jaar te leven, als alles meezat. Afgezien van het onzinnige feit dat een dokter je dat meedeelt, leefde die man anders dan vroeger. Per moment. En als je die man vertelt dat het allemaal op een misverstand berust, dan gaan de jaren nog meer tellen.

Of, om het maar eens heel anders te stellen, zoals Leon Vié, een uiterst tevreden man, placht te zeggen: ""Waar hebben we 't allemaal aan te danken'', als we weer eens buitengewoon gezellig met vrienden aan de dis zaten.

Aan Calvijn dus.

(De volgende keer de axolotl)