Vreemdelingen

Ooit stond ik in een vreemd, ver land in de rij voor een verblijfsvergunning.

Het land was mij om politieke redenen niet goed gezind en de Nederlandse ambassade ter plekke had zich van mij afgewend omdat ik en degene met wie ik samenleefde medeplichtig zouden zijn aan de ondermijning van de gevestigde orde door middel van het geschreven woord. Niet dat we bij onze diplomatieke vertegenwoordiging om hulp of medewerking hadden gevraagd, nee, we werden de deur gewezen nog vóór we hadden aangeklopt; we hadden te verstaan gekregen dat er tussen Nederlanders in den vreemde onderscheid is wat behandeling betreft. Hoogzwanger stond ik in de brandende zon tussen Boliviaanse en Paraguayaanse werkzoekenden, tussen Chileense en Uruguayaanse politieke vluchtelingen, tussen als vreemdeling vermomde leden van de Argentijnse inlichtingendienst en koffieventers voor wie de rij ontredderden niet lang genoeg kon zijn.

De verbale misverstanden konden zich meten met de spraakverwarring die geheerst moet hebben op de toren van Babel, al wordt er in het Zuidamerikaanse continent, met uitzondering van Brazilië, één taal gesproken. Welke vrijheid verschaft een vergunning, en welke verplichtingen? Telt een buitenechtelijk kind even zwaar als een kind met een naam? Hoe hoog is het inkomen van iemand die van de ene dag in de andere moet leven, en welk adres geeft hij op als hij geen woon- maar een schuilplaats heeft, geen appartement maar een krot?

Naarmate de hitte ondraaglijker werd groeide de onrust. De visumaanvragers die al voor de tweede of derde keer kwamen, begonnen opruiende taal uit te slaan óf vloekten binnensmonds, naar gelang hun verleden en het land van herkomst. Ook de anderen verloren hun kalmte en begonnen te duwen en te dringen, maar de beweging in de rij bleef nauwelijks merkbaar en werd bij de koffie- en lunchpauze zelfs teruggebracht tot nul.

Ik was hoogzwanger maar geprivilegieerd: mijn toekomst hing niet van een verblijfsvergunning af, ik had de minachtende bureaucraten voor mijn welbevinden niet strikt nodig. Maar de meeste andere aanvragers waren vogelvrij. Voor het papiertje met de toestemming om - voorlopig - te blijven, trotseerden ze de felle zon, de politiecontrole, vernederingen en hun laatste pésos. Hún fysieke, emotionele en materiële welbevinden hing wel degelijk van de verblijfsvergunning af. Werd die geweigerd, dan werd hun bestaan illegaal, dan zou er geen haan naar kraaien als ze spoorloos verdwenen. Of dan werden ze de prooi van de aasgieren, van de handelaars in valse paspoorten, van onderbetaalde banen. Dan werden ze gedwongen de onderwereld in te gaan.

Aan deze vernedering en deze woede van lang geleden moest ik denken, toen ik onlangs op het journaal een lange rij vreemdelingen voor een Nederlands loket zag staan. Mannen en vrouwen uit Ethiopië, Somalië, Bosnië, Roemenië, Sri Lanka, Guatemala. Het was die dag acht graden onder nul, een temperatuur die misschien te vergelijken viel met dertig graden in de schaduw, vijfendertig in de zon. De rij schoot niet op, de verkleumde vreemdelingen werden onrustig. Ze balden hun vuist maar trokken die meteen weer in, want de camera draaide.

Een ambtenaar kwam naar buiten en legde uit dat ze de volgende dag terug moesten komen, omdat er te weinig personeel en te weinig werkruimte was. Een politieagent deelde bekertjes koffie uit, ook dat werd uitvoerig gefilmd. Ik hoorde in gebroken Nederlands vragen stellen, ik zag de verwarring op de gezichten van degenen die de boodschap van de ambtenaar niet hadden verstaan. Er werd geduwd en zinloos voorgedrongen.

Een zwangere vrouw hing tegen een muur alsof niets haar nog kon schelen, alsof het haar om het even bleef in welk land haar het recht werd ontzegd zich te uiten, in welke taal ze werd teruggestuurd of afgeblaft. Maar al snel zoomde het journaal vrijblijvend in op de volgende calamiteit en daarna op de weerman die voor de volgende dag natte sneeuw en ijzel voorspelde. U moet, waarschuwde hij, op de eerste gladheid zijn voorbereid. Maar dat hebben alleen wij verstaan. De vreemdelingen zijn de volgende dag ongewapend de gladde straat op gegaan die naar onze loketten en naar onze ambtenaren leidt.