Voetbal en kaartjes

Onverwacht en pas achteraf blijkt ook de FIFA tot de verliezers te behoren van het wereldkampioenschap voetbal 1990. De Europese Commissie heeft namelijk beslist dat de FIFA een inbreuk heeft gepleegd op het Europese mededingingsrecht. Volgens de Commissie had de FIFA de mogelijkheid toegangskaartjes te verkopen als onderdeel van een "pakketreis' niet exclusief en wereldwijd mogen toevertrouwen aan één reisorganisatie.

Het is voor het eerst dat de Europese Commissie aldus aandacht schenkt aan de verkoop van toegangsbewijzen voor sportmanifestaties. Zij deed dat naar aanleiding van een klacht van een Belgisch reisbureau. Dit bedrijf had destijds vanuit België graag een pretpakket willen aanbieden dat uit vervoer, logies en kaartjes voor alle mogelijke voetbalwedstrijden had bestaan. Het bedrijf had zelfs kans gezien dat pakket korte tijd op de markt te brengen, maar moest die activiteit staken als gevolg van een kort geding dat was aangespannen door het reisbureau dat door de organisatoren van het wereldkampioenschap voor de verkoop van pakketreizen in België was "erkend'.

De aldus gedwarsboomde ondernemer liet het er niet bij zitten: hij deed zijn beklag bij de Europese Commissie. Het onderzoek dat daaruit volgde bracht onder meer aan het licht dat bij het wereldkampioenschap in 1990 zo'n 2,7 miljoen toegangsbewijzen tot voetbalstadions zijn verkocht. De helft daarvan is rechtstreeks in Italië in omloop gekomen via nationale voetbalbonden, sponsors en een bank. Een kwart is buiten Italië verkocht in het kader van pakketreizen; de rest werd door die zelfde Italiaanse bank en voetbalbonden buiten Italië verkocht.

De FIFA, een federatie van nationale voetbalbonden uit zo'n 150 landen die belast is met het eenmaal in de vier jaar organiseren van het wereldkampioenschap, bleek strikte regels te hanteren voor de verkoop van toegangsbewijzen. Aangesloten bonden mogen kaarten bij voorbeeld alleen (zelf) in eigen land verkopen; de verkoop aan reisbureaus is verboden. Die laatste mogelijkheid had de FIFA, althans in de periode 1987-1990, exclusief en mondiaal voorbehouden aan Italia Tour, een gemeenschappelijke dochter van Alitalia en de Italiaanse spoorwegen. Aldus had Italia Tour ook het alleenrecht verkregen wereldwijd een passend netwerk voor de distributie van pakketreizen te organiseren. Daartoe had dit bedrijf, onder meer in de verschillende lidstaten van de EG, contracten gesloten met afzonderlijke reisorganisaties die zich op hun beurt hadden verplicht de toegangsbewijzen uitsluitend te verkopen in het kader van pakketreizen en geen pakketreizen aan te bieden buiten het eigen grondgebied. Aldus ontstond een netwerk dat niet-erkende reisbureaus geen mogelijkheid liet (tegen concurrerende prijzen) soortgelijke pakketreizen aan te bieden. Immers, voor de aankoop van toegangskaarten was men aangewezen op de zwarte markt (die ongetwijfeld zal hebben gefloreerd, maar dienovereenkomstig duurder is).

Volgens de Europese Commissie vormden de exclusieve rechten die de FIFA Italia Tour had verleend in twee opzichten een inbreuk op de concurrentieregels. In de eerste plaats liepen niet-erkende reisorganisaties een concurrentienadeel op ten opzichte van Italia Tour en de selecte kring van "uitverkoren' reisbureaus. In de tweede plaats zou, zonder het exclusieve netwerk dat de FIFA in het leven had geroepen, de mogelijkheid hebben bestaan toegangskaarten bij meer reisorganisaties in te kopen en daardoor wellicht ook tegen gunstiger voorwaarden.

Tegenover deze zienswijze stelde de FIFA dat het door de Commissie zo bekritiseerde netwerk noodzakelijk was om veiligheidsredenen. Hèt hoofdprobleem van de wereldkampioenschappen was te voorkomen dat groepen supporters van tegengestelde partijen in de stadions met elkaar in contact zouden kunnen komen. Daarom was het zaak zit- en staanplaatsen binnen de stadions te verdelen naar nationaliteit. Daartoe was een centraal computersysteem ingericht, terwijl de verkoop van toegangsbewijzen door Italia Tour afhankelijk werd gesteld van informatie over de nationaliteit van de bezoeker. Ook de koper van een pakketreis diende vooraf zijn identiteit aan te tonen. Deze informatie werd dan vervolgens via sub-informatiesystemen doorgegeven aan de centrale computer. Aldus kon in elk geval worden voorkomen dat grote groepen supporters in de directe nabijheid van "vijandige" supporters kwamen te verkeren.

Dit veiligheidsargument werd door de Europese Commissie gewogen, maar te licht bevonden. Niet dat de veiligheid in voetbalstadions niet belangrijk zou zijn. Maar de Commissie was er niet van overtuigd dat die veiligheid alleen kon worden bereikt door Italia Tour mondiaal alleenrechten te verlenen: alle reisorganisatoren die bereid waren geweest een sub-informatiesysteem in te richten en de coördinatie met de centrale computer te waarborgen, hadden in aanmerking kunnen komen voor de verkoop van pakketreizen, aldus de Commissie. Zij gaf toe dat voor de veiligheid van toeschouwers en de verdeling van plaatsen naar nationaliteit een strenge controle noodzakelijk is op de gehanteerde verkoopvoorwaarden. Maar de Commissie zag niet in waarom die controle en de organisatie van de verkoop niet tegelijkertijd aan verschillende reisorganisaties zou kunnen worden uitbesteed.