Versneld naar een munt

DE LANG VERBEIDE verlaging van de Duitse rente heeft een adempauze geschapen voor wat er rest van het Europese Monetaire Stelsel. Maar de gevaren zijn lang niet overwonnen. Op één na alle munten die zich nog in het European Exchange Rate Mechanism (ERM) ophouden kunnen immers in de vuurlinie komen te liggen. Zo lang er een waardeverschil is tussen munten onderling en aankoop van de zwakkere munt door de betrokken centrale banken wordt gegarandeerd, blijft de verleiding aanwezig om op een vergroting van dat verschil te speculeren en daardoor winst te maken. Het speculatieve reservoir is groot genoeg om iedere aangevallen munt op den duur te doen bezwijken. Voor de speculanten gaat het om een spel zonder nieten als ze het lang genoeg volhouden. En dat kunnen ze.

Wie aan deze vorm van Monopoly definitief een einde wil maken, kan twee wegen gaan: afscheid nemen van het ERM dan wel de monetaire integratie snel afronden en de speculanten de pas afsnijden. Tot dusver hebben landen voor de eerste weg gekozen dan wel voor een tussenweg: devaluatie binnen het stelsel, maar daar lopen ze het risico dat alles weer van voren af aan begint. Hier en daar klinken geluiden om ook de tweede weg eens te proberen. De Duitse kanselier en de Franse president hebben zich voorstander genoemd van een versnelde procedure, premier Lubbers heeft die gedachte later positief gewaardeerd. Voor wie de Europese integratie nog niet geheel en al overboord heeft gezet, is een dergelijk alternatief het overdenken waard.

DE NADELEN VAN een versnelde opmars naar een Europese munt zijn eenvoudig te benoemen. In de eerste plaats zal slechts een klein gezelschap landen daaraan kunnen beginnen met als consequentie dat de tweedeling in de Gemeenschap wordt bekrachtigd. Bovendien is het de vraag of de achterhoede de versnelde pas zal kunnen volhouden, onder vuur als zij zal blijven van de speculanten. Tegelijkertijd tast versnelling de zorgvuldigheid aan die bij een ingewikkelde zaak als de overgang naar een geïntegreerd monetair stelsel gewenst is. In een versnelde procedure zal de Franse gevoeligheid voor de supprematie van de Bundesbank nog toenemen evenals de Duitse gevoeligheid waar het gaat om de waardevastheid van de mark. De suggesties van de politieke leiders werden dan ook onmiddellijk gevolgd door knorrige geluiden uit de Bundesbank.

Maar de voordelen zijn beduidend. Veronderstel dat de politieke en monetaire autoriteiten van de Bondsrepubliek, Frankrijk, de Benelux en Denemarken het dit weekeinde eens zouden worden over de instelling van een munt en een gezamenlijk beheer daarvan, dan zouden aanstaande maandag de Deense kroon en de Franse franc uit de gevarenzone zijn en zou Europa niet langer uiteen worden gespeeld door anonieme internationale krachten. Er zou dan een boei zijn uitgezet waarop de drenkelingen van het ERM zich zouden kunnen richten.

KORTOM, ER IS een stevige aanleiding voor een politiek initiatief ten behoeve van versnelde monetaire eenwording. Opvalt dat het gewicht van de Benelux daarbij toeneemt, al was het omdat het gezelschap dat nog tot een dergelijke actie in staat is steeds kleiner wordt, maar ook omdat een puur Frans-Duitse combinatie politiek toch wel een zeer zwakke schaduw zou zijn van het bedoelde verenigde Europa. Die constatering maakt de Nederlandse stem interessanter dan deze lange tijd is geweest.

Het zal voor Den Haag niet meevallen om de concentratie op het wel en wee van de eigen verzorgingsstaat en de voormalige koloniën en erflanden wat te verminderen. Bovendien harmoniëren de krachtige bromtonen die opklinken uit het Haagse ministerie van financiën en uit De Nederlandsche Bank beter met de basgeluiden uit Frankfurt dan met de melodie die werd ingezet door Kohl en Mitterrand en die door Lubbers werd overgenomen. De premier heeft vermoedelijk spontaan gereageerd en zijn interesse voor een versnelling van de procedure nog niet weten over te brengen op de financiële nomenklatura.

DE VERDEELDHEID in Nederland is een echo van de verdeeldheid in Duitsland. Dat onderstreept de mate van monetaire eenheid en politieke toenadering die tussen beide landen bestaat. Maar er is ook angst voor de kracht van een Frans-Duitse as waarmee slechts een handvol kleine landen zou zijn verbonden. Waarmee weer niet gezegd wil zijn dat in stilte op een breuk in die as wordt gehoopt. Wil Nederland katalysator zijn dan zal het dus eerst voor zichzelf moeten vaststellen wat prioriteit heeft. Vast staat intussen dat wie de restanten van het EMS wil behouden, en daarmee zicht op een Europese Unie, de tijd niet langer aan zijn kant heeft.