Spaans rechts toont nieuw gezicht; Conservatieven als eerlijk, democratisch alternatief

MADRID, 6 FEBR. Is Spanje weer rijp voor een rechtse regering?

Volgens sociologen en demografen van naam is het electoraat in het grootste deel van het Iberisch schiereiland van oudsher structureel de linkse partijen toegedaan en kan rechts dus nooit met beschaafde middelen aan de macht komen. Maar de Spaanse maatschappij heeft in de afgelopen jaren veel karakteristieke eigenaardigheden verloren. En het al ruim tien jaar durende bewind van de socialistische premier Felipe Gonzalez vertoont uitputtingsverschijnselen. Op die twee omstandigheden is dan ook de hoop gevestigd van de conservatieve Partido Popular (PP) die gisteren in Madrid is begonnen aan het congres dat de partij gereed moet maken voor de verkiezingen van de komende herfst.

Er heerst een optimistische stemming onder de ruim drieduizend afgevaardigden. Nog nooit is het verschil tussen de socialisten en grootste partij van de oppositie in de opiniepeilingen zo klein geweest: drieënhalf procentpunt. Uit een gisteren gepubliceerde peiling blijkt dat de Spaanse burger meer vertrouwen heeft in rechtse politici dan in die van links wanneer het gaat om het oplossen van knellende problemen als de werkloosheid, het terrorisme, de corruptie en de veiligheid op straat. Slechts op één punt komen de socialisten duidelijk beter uit de bus dan hun rivalen: in het garanderen van de burgerlijke vrijheden.

Het congres van dit weekeinde is dan ook in de eerste plaats bedoeld om Spanje duidelijk maken dat de PP een moderne, democratische partij is en niet meer geassociëerd mag worden met de erfenis van generaal Franco. Het partijbestuur zal er vernieuwd en verjongd uit tevoorschijn komen. Manuel Fraga, minister van informatie en toerisme onder Franco, is weliswaar nog altijd erevoorzitter en zal zondagmiddag als één na laatste het woord voeren. Maar de siete magnificos, zeven prominente en volgens eigen inzicht verlichte franquisten met wie hij in 1976 de Alianza Popular oprichtte, zijn geheel van het toneel verdwenen. Destijds was Fraga ervan overtuigd dat het "sociologisch franquisme', gevormd door een zwijgende meerderheid die altijd tevreden was geweest met de rust en orde van de dictatuur, hem ook in vrije verkiezingen een meerderheid zou opleveren. Die overtuiging drukte hij uit in het inmiddels gevleugelde woord "de straat is van mij'. Dat bleek een misrekening. De regering was heel lang van rechts geweest, maar de straat was van de socialisten.

In een slimme poging om de rollen om te draaien noemt José Maria Aznar, die al in 1989 lijsttrekker was en in 1990 definitief het roer van Fraga overnam, zich nu graag “een kind van de democratie”. Hij is immers pas negendertig en heeft dus het grootste deel van zijn volwassenheid een Spanje zonder Franco gekend. Gonzalez daarentegen zou gevormd zijn door de dictatuur - en de oppositie daartegen, maar dat laatste zegt Aznar er niet bij.

Net als de socialisten tien jaar geleden belooft de PP de kiezers meer dan een beleidswijziging. Spanje heeft volgens rechts behoefte aan een nieuwe generatie met een geheel nieuwe mentaliteit. Trefwoorden daarbij zijn: eerlijkheid, gelijkheid, gerechtigheid en bestuurlijke transparantie. Pas in de tweede plaats wordt gesproken over economisch herstel door middel van belastingverlaging, privatisering en beperking van de overheidsuitgaven.

De PP is het uiteraard niet eens met de inhoud van het huidige regeringsbeleid, maar ze valt de PSOE vooral aan op de manier waarop het ten uitvoer wordt gebracht. Op gevallen van bestuurlijke corruptie en op de politisering van de rechterlijke macht, op het uitdelen van subsidies om de bevolking gunstig te stemmen en op het gebruik van de publieke omroep als propaganda-instrument. Verwijten kortom die doorgaans aan ondemocratische regimes worden gemaakt.

Aznar aanvaardde het partijleiderschap drie jaar geleden met een curieuze geste. Als blijk van eeuwige trouw overhandigde hij een ontslagbrief aan Fraga waar deze op ieder door hem gewenst moment gebruik van zou kunnen maken. Desondanks heeft de voormalige belastinginspecteur en president van de regio Castilië en Leon zich sindsdien ontpopt als een zelfbewust politicus die rust en discipline heeft gebracht in een voorheen door factievorming en schandalen geplaagde partij. Ook de PP heeft zijn gevallen van corruptie en machtsmisbruik door plaatselijke bestuurders. Het humeur van de partijleider wordt echter vooral bepaald door successen, zoals de overwinningen bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1991 in een aantal grote steden, waaronder Valencia, Sevilla en Madrid.

Deze overwinningen zijn een belangrijke steun geweest bij de interne strijd die Aznar heeft moeten voeren om zijn partij in de richting van het centrum te duwen. De aansluiting bij de christendemocraten in het Europese parlement stuitte nog niet op al teveel bezwaren. Veel veteranen van de Alianza en de Partido Popular hebben het echter maar moeilijk kunnen verkroppen dat ze op de kieslijsten en in bestuursfuncties plaats hebben moeten maken voor oud-leden van de uiteengespatte UCD, de gematigde regeringspartij van premier Suarez uit de eerste jaren van de democratie. De oudgedienden van rechts zien ook met lede ogen aan hoe Aznar zich voorzichtig bewegingsruimte aan het verschaffen is op traditioneel onwrikbare programmapunten als het verbod op abortus en de eenheid en ondeelbaarheid van Spanje.

Wat dit laatste betreft: Aznar neemt de laatste tijd zonder blikken of blozen het woord "federalisering' in de mond als hij zijn visie op het landsbestuur ontvouwt. Hij wordt daarin gesteund door de kameleontische Manuel Fraga, die eindelijk regeringsmacht heeft gevonden als president van de autonome regio Galicië en daarom tegenwoordig sterk pleit voor het delegeren van allerlei bevoegdheden aan lagere overheden. De opsplitsing van Spanje in deelstaten met (nog meer) eigen bevoegdheden is echter voor traditioneel rechts zo moeilijk te verteren dat het vermoedelijk het enige thema is waarover dit weekeinde nog enig debat ontstaat.

Voor het overige lijkt Aznar zijn partij en daarmee de operatie-imagoverbetering geheel onder contrôle te hebben. Wat niet wil zeggen dat zijn leiderschap geheel onomstreden is. Aznar beschikt namelijk nauwelijks over charisma. Hij spreekt eentonig en belerend. Zelfs wanneer hij lacht lijkt hij niet oprecht; dan komt bovendien een vreemd paar konijnetandjes bloot waardoor hij het aanzicht krijgt van een twaalfjarige.

“Aznar is een ramp”, bekende gisterochtend één van zijn public relations-adviseurs in de wandelgangen van het congres, waar het een komen en gaan was van keurig geklede dames en heren en van jongens en meisjes in gestreken spijkerbroek. “Hij is net een sprekende pop. Je kunt hem niets leren.” De communicatiedeskundige wilde echter ook weer niet teveel betekenis aan dit ongemak hechten. “Rechts heeft nog nooit de verkiezingen in Spanje gewonnen. Het is altijd aan de macht gekomen doordat links ze had verloren.”