Slager Berends uit Beerta wil zijn verzetswerk erkend zien

Jaarlijks vragen nog zo'n tweehonderd mensen een buitengewoon verzetspensioen aan. Zij moeten aantonen dat ze aan het verzet in de Tweede Wereldoorlog hebben deelgenomen en zich niet onwaardig hebben gedragen. Bovendien moet er sprake zijn van 'verwonding, verminking, ziekten of gebreken die geheel of gedeeltelijk het gevolg zijn van verrichtingen of vermoeienissen aan dit verzet verbonden'. De aanvraag van Engelke Berends (77) uit het Groningse Bellingwolde werd twee keer afgewezen.

BELLINGWOLDE, 6 FEBR. Als slager bezorgde Engelke Berends in de Tweede Wereldoorlog vlees bij ondergedoken joden en verzetsmensen. Toen hij werd opgepakt voor clandestien slachten accepteerde hij de verdenking van zwarthandelaar, omdat hij zijn onderduikadressen niet in gevaar kon en wilde brengen. Er spelen twee belangwekkende zaken die Berends nu 'hard' moet maken om in aanmerking te komen voor een verzetspensioen: de liquidatie van een Duitser in 1944 en het bezorgen van vlees op onderduikadressen.

Hoe moeilijk is het om bijna een halve eeuw nadien nog te bewijzen dat je verzetsdaden pleegde? Archieven hielden de plaatselijke verzetsgroepen niet bij en de meeste belangwekkende getuigen zijn in het geval Berends overleden of weten zich het fijne niet meer te herinneren. Bovendien ging veel verzetswerk 'in het geniep' want hoe minder je wist, hoe beter.

Berends is een lange forse man met strak naar achteren gekamd donkergrijs haar. Hij gaat op het puntje van de bank zitten en lijkt zich schrap te zetten. Zijn ooghoeken worden nat en hij staart voor zich uit. “Ik ben er niet trots op dat ik een mens heb omgebracht”, zegt hij. “Ik word 's nachts vaak wakker en grijp mijn vrouw aan: “Ik heb 'm vermoord, ik heb 'm vermoord”, roep ik dan. Maar het was een slecht mens. Ik had geen keus. Anders was de hele groep eraan gegaan.” Berends, destijds veehandelaar en slager, maakte in de oorlogsjaren deel uit van een Oostgroningse verzetsgroep, die onder anderen bestond uit de chirurg J. Hommes, de notarisklerk G. Kwant uit Wedde, de predikanten D.J. van Eck en C. Riegstra. Berends bracht in de oorlogsjaren illegale krantjes rond en bezorgde vlees op onderduikadressen. Ook was hij betrokken bij de repatriëring van neergeschoten geallieerde piloten. “Ik heb veel alleen gedaan, dan kon ik ook niet worden verraden.” Als slager in Beerta werd hij regelmatig gevraagd om een koe of kalf 'buiten de veeboekjes' om te slachten. In de omstreken stond Berends bekend als 'de voedselcommissaris'. Hij bracht onder meer vlees naar zijn schoonzuster in Stadskanaal die 13 joden in huis had.

Berends verleende in 1944 onderdak aan een neergeschoten Engelse piloot, de toen 22-jarige Peter Mac Lellan. De komst van een tweede man, die zich voordeed als Engels piloot, maar een Duitse militair bleek te zijn, zou leiden tot het voorval dat Berends nu nog nachtmerries bezorgt. Volgens MacLellan was de 'piloot' niet te vertrouwen omdat hij vragen die Mac Lellan hem stelde over vliegtuigen fout beantwoordde. Na overleg met Van Eck en Riegstra brengt Berends de man naar de pastorie in Blijham. De verzetsgroep ziet geen andere mogelijkheid dan de Duitser te liquideren. Berends zegt dat hij werd aangewezen om de liquidatie uit te voeren. Hij geeft de man een kaakslag en daarna een stomp op zijn borstkas, die hij niet overleeft. “Achter de pastorie heb ik zelf een graf gegraven van twee meter diep. Dat weet ik nog want de dominee heeft mij eruit moeten trekken.”

Mevrouw A.A. Van der Berg-Lamboo woont met haar man op de plaats waar vroeger de pastorie stond. “De koster vertelde mij toen we hier in 1960 kwamen dat er een lijk op het erf begraven lag .” Van dames op een theekrans hoorde ze dat ”het een slager uit Beerta was geweest die het gedaan had”. Van der Berg zegt er voor 'honderd procent' zeker van te zijn dat Berends de man gedood heeft. “Toen ik Berends voor het eerst ontmoette huilde hij zo vreselijk. Hij zei: dacht u echt dat ik hem graag had omgebracht? Hij wist bovendien de plek aan te wijzen waar de Duitser begraven lag.”

In mei 1942 wordt Berends gearresteerd en in juni door de economische rechter in Groningen veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf wegens overtreding van de distributiewetten, in feite clandestien slachten. Hij wordt overgebracht naar het concentratiekamp Erica in Ommen en vandaar naar het kamp Heerte in Duitsland. Als kampgevangene wordt hij onder meer te werk gesteld in een munitiefabriek in Wolfensbüttel. In mei 1943 krijgt hij gratie. De gruwelijkheden van beide kampen staan hem nog helder voor ogen. Hij laat de littekens op zijn onderbenen en armen zien, waarover heen kokend water is gegoten. Zijn rug werd kapot geslagen. Na de bevrijding is Berends lichamelijk niet meer in staat zijn beroep uit te oefenen. Hij wordt afgekeurd. De slagerij verkoopt hij. Tot op de dag van vandaag lijdt hij aan slapeloosheid, nachtmerries en agressieve buien. In 1965 krijgt Berends een uitkering van de Raad van Arbeid.

In 1985 besluit Berends alsnog een verzetspensioen aan te vragen. Volgens secretaris M.J. Smeets van de Raadskamer van de Buitengewone Pensioenraad in Heerlen komt het vaker voor dat mensen als gevolg van een inkomstendaling of invaliditeit een uitkering aanvragen. Ook bij Berends speelde dit ten dele mee. Nadat zijn huis in 1971 afbrandde zaten hij en zijn vrouw met een hypotheekschuld van 74.000 gulden op hun huis. Maar een uitkering wordt vooral beschouwd als een symbool voor erkenning van Berends verzetswerk in de oorlog. Erkenning en eerbewijzen kreeg hij al van de Geallieerden. In 1946 kreeg Berends van de Amerikanen een fiets 'in assisting the escape of allied soldiers from the enemy'. Hij bezit certificaten en medailles van Air Chief Marshal Tedder en Eisenhower en kreeg in 1980 de 'Freedom award of the city of Brampton', als dank voor zijn hulp aan Canadese piloten.

Na de aanvraag stelt de oud-politieman R. Middel namens de Stichting '40-'45 een onderzoek in naar Berends' verzetsactiviteiten. Hij zocht mensen die konden bevestigen dat hij vlees had gebracht op onderduikadressen. De advocaat van Berends, G.H. Hoekman, schrijft in een brief aan de Stichting 40-45 dat de gevangenisstraf van Berends wel degelijk 'direct in verband staat met het verzet”. “Het feit dat cliënt zich de namen van alle afnemers van het vlees niet kan herinneren, is te wijten aan zowel het tijdsverloop als aan de omstandigheid dat cliënt tot op heden de herinneringen uit de oorlog poogt te verdringen, het geen medisch vast te stellen is.” Hoekman wijst erop dat Berends in het ziekenhuis van Winschoten is behandeld door vijf artsen, voor klachten die, aldus Hoekman, ”aantoonbaar samenhangen met de gebeurtenissen in de oorlog”.

In 1990 wordt een verzoek tot herziening ingediend, waarna een hernieuwd onderzoek wordt gestart naar Berends' verzetsactiviteiten. Nieuwe getuigen worden gehoord. Onder hen is G. Schuring, die in maart 1942 op 19-jarige leeftijd onderdook bij een familie in Onstwedde. Schuring verklaart tegenover verzetsrapporteur J. Zijlstra van de Stichting 40-45 dat zijn vader de notaris K. Schuring, bij wie Kwant in dienst was, hem na de oorlog vertelde dat Berends de Duitser geliquideerd heeft. Een bewezen liquidatie zou Berends het verzetspensioen vermoedelijk zonder al te veel problemen hebben 'opgeleverd', aldus Van der Leeuw. De Raad ziet na een hernieuwd onderzoek op 26 januari 1993 'geen dan wel onvoldoende aanleiding thans een ander standpunt in te nemen', dan in 1988 en wijst zijn pensioenaanvraag opnieuw af. Hoekman acht de uitspraak volstrekt 'onvoldoende gemotiveerd' en gaat in hoger beroep bij de Raadskamer. Voor Berends is het weer afwachten. “Mijn moeder zei altijd: de waarheid kan moeilijk een herberg vinden.”