Recht van vervroegde invrijheidstelling vervalt na ontsnapping

DEN HAAG, 6 FEBR. Het kabinet houdt vast aan zijn plan om het ontsnappen uit de gevangenis te bestraffen met het uit- of afstellen van de vervroegde invrijheidstelling waarop een gedetineerde automatisch recht heeft. De ministerraad is gisteren akkoord gegaan met een voorstel van minister Hirsch Ballin (justitie) en diens staatssecretaris Kosto hierover. Het zal ter advisering naar de Raad van State worden gestuurd.

In justitiële kring werd vorige maand kritiek geuit op dit voornemen van de bewindslieden van justitie. De voorzitter van de penitentiaire kamer van het gerechtshof in Arnhem, mr. K.E. Smilde-Nienhuis, alsmede de advocaat-generaal bij dit hof, mr. Y. van Kuijck, kwalificeerden in deze krant het plan van Hirsch Ballin en Kosto als "kansloos'. Volgens hen bood het Wetboek van strafrecht slechts de mogelijkheid om de vervroegde invrijheidstelling - die na twee derde van de straf ingaat - in te trekken, als een gedetineerde zich schuldig zou maken aan een “ernstige misdraging”. Een ontsnapping zou daar niet onder vallen, ook niet als zij gewelddadig is.

Blijkens het wetsvoorstel wordt het Wetboek van strafrecht echter gewijzigd. Artikel 15a, dat de gronden bevat voor uit- of afstel van vervroegde invrijheidstelling, wordt uitgebreid. Het ontsnappen of een poging daartoe wordt daardoor een reden voor intrekking van de vervroegde invrijheidstelling; hetzelfde geldt voor het niet terugkeren van verlof. De beslissing of een ontsnapping of een ontsnappingspoging zo moet worden bestraft, blijft voorbehouden aan de rechter. Een ander onderdeel van het wetsvoorstel is dat de maximumstraf voor degene die een gevangene bij een ontsnapping helpt, wordt verhoogd van twee naar vier jaar cel.

Hirsch Ballin en Kosto kondigden hun voornemen vorige maand aan kort nadat uit gevangenis De Grittenborgh in Hoogeveen drie mannen op gewelddadige wijze waren ontsnapt.