"Orkesten Noord-Amerika verkleden zich om maar publiek binnen te halen'; Dirigent Bakels schept eigen traditie

HILVERSUM, 6 FEBR. Kees Bakels, in de jaren zeventig bij de Nederlandse Opera en veel symfonie-orkesten gevierd als een talentvol jong dirigent, is voor een aantal concerten terug in eigen land. Sinds hij in 1982 besloot om alleen nog in het buitenland te werken, dirigeerde Bakels hier nog slechts een enkele keer. Nu leidt hij zondag in het Utrechtse Vredenburg het Radio Symfonie Orkest in een door de KRO georganiseerd operaconcert met waanzinscènes, gezongen door de spectaculaire Amerikaanse sopraan Martile Rowland. Daarna geeft Bakels nog concerten met het Filharmonisch orkest van Forum en Het Gelders Orkest.

“Het is toeval dat ik nu hier een paar concerten doe, het duidt verder nergens op,” zegt Bakels na een van de repetities in Hilversum. “Ik ben ook absoluut niet van plan hier nu weer vaker te komen.” Bakels, die sinds kort officieel in België woont, werkt vooral in Amerika, Canada, Engeland en Denemarken. Hij vertrok elf jaar geleden - deels om persoonlijke redenen - maar vooral uit onvrede met bezuinigingen en samenvoegingen van orkesten. Inmiddels is er wat dat betreft niets veranderd. Destijds werden het Amsterdams Philharmonisch Orkest, het Nederlands Kamerorkest en het Utrechts Symfonie Orkest samengevoegd tot het Nederlands Philharmonisch Orkest. Geen toeval lijkt het dat alledrie orkesten die Bakels dezer dagen leidt, verwikkeld zijn gevechten om hun voortbestaan. Het Gelders Orkest en Forum Filharmonisch moeten wellicht fuseren met verlies van zeventig arbeidsplaatsen, het Radio Symfonie Orkest wordt bedreigd door een bezuiniging van tien miljoen die de NOS wil doorvoeren op het Muziekcentrum van de omroep.

Bij buitenlandse orkesten en opera's is het wat financiële en organisatorische problemen betreft overigens meestal niet beter dan in ons land. Bijna overal is volgens Bakels de situatie daar zelfs nog veel slechter dan hier. “Het is vaak niet eens met de toestand hier te vergelijken. In ons land slaapt iedereen dan ook meteen half in en meent dat alles een recht is. In Amerika en Canada heeft bijna elk orkest een miljoenentekort. Maar dat heeft ook sportiefs, het onderscheidt de mannen van de jongens. Managers daar hebben geen zekerheid op lange termijn en zijn afhankelijk van koersontwikkelingen, maar weten waarover ze het hebben. Vooral de orkesten die vlak onder de top hebben het moeilijk. Ieder stuk wordt met argusogen bekeken. De ouverture König Stefan van Beethoven? Nee, want dan hebben we een extra contra-fagottist nodig. De kunst is dan toch een interessant seizoen in elkaar te draaien. Eén ding is belangrijk: dat je het publiek de zaal binnen krijgt, helaas met alle nadelen vandien.”

“Het is schokkend dat een eigenlijk heel goed orkest als dat van Portland om een keer de Negende symfonie van Mahler te doen per jaar zeventig tot negentig "popsconcerts' geeft met muziek uit de fifties en sixties, filmmuziek en stukken uit musicals. Ik doe het ook wel eens, maar mijn repertoire op dat gebied is even bescheiden als mijn interesse erin. Ik heb met Halloween wel een concert gedaan met Phantom of the Opera, Ghostbusters, Nacht op de kale berg, Totentanz, Mephisto Waltz, Danse Macabre. Het hele orkest was verkleed.”

Toch heeft Bakels geen spijt weg te zijn uit dit land. “Onder moeders vleugels weg, krijg je dingen voor elkaar die je nooit had gedroomd, dat is wel prettig.” De muzikale belangstelling van Kees Bakels (48) begon pas op vijftienjarige leeftijd toen hij een stapel klassieke platen kreeg. Drie jaar later, op zijn achttiende, speelde hij als violist in het Haarlemse orkest, het jaar daarop deed hij staatsexamen viool. “Ik denk dat we dat mogen betitelen als aanleg. Lichamelijk ging het veel te snel, maar technisch had ik geen probleem. Ik heb tijden gehad dat hoe minder ik speelde, hoe beter het ging. Maar daar zijn grenzen aan en die zijn snel bereikt!”

Toen hij 's zomers meespeelde het opera-orkest van de Arena van Verona besloot Bakels dat hij dirigent wilde worden. Als 24-jarige werd hij assistent van Anton Kersjes bij het Amsterdams Philharmonisch Orkest. In 1973 maakte hij als 28-jarige daar zijn debuut en met veel succes. Bakels mocht al snel Menuhin begeleiden, dirigeerde Mahler, Sjostakowitsj, vergeten operarepertoire in de Varamatinee en veel voorstellingen bij De Nederlandse Opera.

Ook in het buitenland dirigeerde Bakels aanvankelijk veel opera. “In Vancouver, bijna bankroet na optredens van Joan Sutherland, in Cardiff bij de Welsh National Opera en bij de opera van San Diego. Maar nu doe ik nauwelijks opera meer, vooral symfonische concerten in Engeland, in Denemarken met het Tivoli-orkest, waar we alles van Nielsen spelen en in Ierland, waar we Nielsen compleet op de cd zouden zetten. Maar daar heb ik in januari ontslag genomen, ik was de vijfde dirigent in vier jaar die vertrok. Als je met de een wat afsprak, maakte de ander dat ongedaan. Sinds 1987 ben ik vaste gastdirigent in Bournemouth, waar we Vaughan Williams compleet opnemen. In Australië dirigeer ik meestal in Melbourne en Sydney, maar daar gaat Edo de Waart nu naar toe. David Porcelijn zit in Adelaide.”

Waarom toch bij Bakels die voorliefde voor minor composers, verwaarloosd repertoire en het niet wereldberoemde orkest? “Ik doe liever Schmitt dan Beethoven, liever de Vijfde of Zesde van Dvorák dan de Nieuwe Wereld-symfonie. Ik wil niet aan het verleden vastzitten en schep liever mijn eigen traditie, zoals bij voorbeeld hier een paar geleden in Utrecht met een anders nooit gespeelde Piccolo Marat van Mascagni, die nu op de plaat uitkomt. En misschien komen de toporkesten nog wel eens. Ik heb voor het London Symphony Orchestra gestaan, heel prettig en ik werd meteen teruggevraagd. Drie uur voor het concert zou ik de eerste en enige repetitie hebben van de lastige Roemeense rapsodie van Enescu, het Tweede vioolconcert van Bartók en de Schilderijententoonstelling van Moessorgski. Zo'n orkest wil geen dirigent, maar alleen iemand die een opmaat geeft.

“Ik heb in Londen, nadat het orkest 's morgens eerst in een extra lange sessie een plaat met muziek van Webber had gemaakt, 's middags van drie tot zes uur en 's avonds van zeven tot tien het Vioolconcert van Tsjaikowski opgenomen. Bij andere orkesten klinkt het dan toch beter. In de zogenaamde tweederangs orkesten zitten net zulke goede mensen terwijl je er meer tijd hebt. Simon Rattle blijft niet voor niets in Birmingham, waar verder niets te doen is, zodat de musici studeren in plaats van schnabbelen. Ook in Calgary wordt gewerkt en komt er echt muziek uit. Dan denk je: daarvoor ben ik gaan dirigeren.”