Onderwaardering van een eeuwling

De Nederlandse industrie mag feitelijk pas een eeuw oud zijn, haar economische waarde is groot. Veel groter dan blijkt uit de waardering voor 's lands nijverheid. Industriële bedrijven waren voortrekkers van de groei in export, werkgelegenheid en research.

De broers vulden elkaar perfect aan. Gerard was de technicus, de man van de produktie. Anton was commerciëler ingesteld. Met Gerards gloeilampen veroverde hij de wereldmarkt. Toch staat voor het centraal station in Eindhoven maar één standbeeld voor de grondleggers van Philips. Voor Anton, de handelaar.

Nederland is behept met een grote voorliefde voor handel en dienstverlening. De onbetwiste commerciële heldendaden uit het verleden bepalen zelfs in hoge mate het beeld van "De Nederlander'. De Nederlandse geldzucht is legendarisch. De dominee en de koopman vormen de onvermijdelijke clichés. Iets minder prominent, maar nog goed herkenbaar, is de Nederlander als burger, als boer en mischien als zeevaarder. De Nederlander is zo bezien in ieder geval geen ambachtsman.

Het verleden geldt als bondgenoot van de commercie. Het economisch erfgoed bestaat vooreerst uit koloniën en specerijen, uit banken en handelshuizen. De handel in aandelen vond hier zijn oorsprong. De Amsterdamse effectenbeurs, die nu in een identiteitscrisis verkeert, behoort tot de oudste ter wereld. Met de industriële toepassing van stoommachines was Nederland uiterst traag. De industriele revolutie kwam hier pas opgang toen die in Engeland alweer voorbij was.

De inmiddels honderd jaar oude industrie is niet in staat geweest het commerciële "gezicht' van Nederland aan te tasten. De industrie was er wel, maar in de overlevering redde ze het niet. De namen van veel belangrijke industriëlen gingen verloren. Wie kent nog de Amsterdammer De Bruijn die in Zevenbergen en Arnhem de beetwortelsuikerfabricage ter hand nam? Of Petrus Regout, eigenaar van de gelijknamige aardewerkfabrieken in Maastricht. Of de textielfabrikanten Krantz en Le Poole?

De industriëlen die wel nog in brede kring bekendheid genieten hadden het geluk dat hun bedrijf tot de dag van vandaag onder de familienaam wordt uitgeoefend: Stork, Fokker, Van der Giessen. Hun levenswerk bestaat nog steeds, hun erfenis produceert nog steeds banen, export en welvaart. Maar als "erflaters' van Nederlandse cultuur gelden ze niet.

Toch is Nederland in zijn huidige vorm zonder techniek en zonder industrie niet denkbaar. In weerwil van alle romantiek waren het ook Nederlandse industriëlen die de delta vast verankerden in de moderne wereldeconomie en niet uitsluitend de schrandere handelaren die we zo graag in onze voorouders zien.

Bij de geboorte ging het mis. Toen in 1830 de zuidelijke provinciën afscheid namen en Nederland in zijn huidige vorm ontstond, verdween daarmee ook in een klap het industriële apparaat. De meest vooraanstaande industriële structuur in de wereld (na Engeland) - de moderne katoenindustrie in Gent en de kolen- en staalcomplexen van Cockerill - werd daarmee aan de vaderlandse historie ontrukt.

Voor het noorden begon toen een periode van industriële achterlijkheid. De nieuwe technologie, die in België volop werd ingezet, vond hier nauwelijks ingang. En als de innovaties - zoals stoommachines - al werden overgenomen, dienden ze slechts ter vervanging van bestaande aandrijfvormen en bleef het produktieproces ongewijzigd. Industriële bedrijven met enige allure uit die tijd zijn op de vingers van een hand te tellen: naast de kristal- en aardewerkfabriek van Petrus Regout in Maastricht, de metaalbedrijven Van Vlissingen, Dudok van Heel (Amsterdam) en de Nederlandse Stoomboot Maatschappij (Rotterdam). De Nederlandse economie kende in die periode nog een zelfstandige conjunctuurgolf, voorspoed en tegenslag wisselden elkaar af in een autonoom ritme, los van de ups en downs in de wereldeconomie.

Pag 16: De wederopbouw als industriële impuls; De dienstensector krijgt onevenredig veel aandacht

HANDELSLAND

VERVOLG VAN PAGINA15

Ondernemers waren niet geïnteresseerd in nijverheid. Er was een voortdurend gebrek aan vaklui en voor de natuurwetenschappen bestond nauwelijks belangstelling. Aanzien had de nijverheid in die tijd niet. Ouders bereidden hun kinderen liever voor op een "beroep of ambt' omdat “dit fatsoenlijker en meer gereid schijnt dan fabrijkant of ambachtsman te zijn”, klaagde men op een vergadering van de Nederlandsche Maatschappij ter Bevordering van Nijverheid.

In 1869 was de achterstand van industrieel Nederland zo groot dat Potgieter er niet langer aan voorbij kon gaan. In een brief aan Busken Huet schreef de criticus van de 19e eeuwse Zeitgeist over de Nederlandse deelname aan de wereldtentoonstelling: “De Internationale Tentoonstelling belooft voor ons zeer leerzaam te zijn. Holland heeft schier geene plaats besproken. Slechts zal er turf worden vertoond”. Ook de financiële wereld was niet geïnteresseerd. De negentiende eeuwse belegger had meer oog voor het buitenland (Amerikaanse spoorwegen) en voor veilige, vastrentende beleggingen in staatsobligaties dan voor de Nederlandse industrie. Debet daaraan was overigens ook dat de ondernemers zich verzetten tegen de publikatie van jaarverslagen en dat vooraanstaande industriëlen, zoals de textielbaronnen in Twente, het liefst baas in eigen huis bleven.

De periode van industriële achterlijkheid werd lang verklaard uit behoudzucht en gezapigheid van Nederlandse kooplieden. Het was de Jan Salie-geest die Nederland in de negentiende eeuw degradeerde tot het industriële kneusje van Europa. De laatste tijd krijgen historici meer oog voor andere verklaringen. Zo hield de overheid de heffingen op agrarische grondstoffen hoog om zo in haar eigen inkomsten te voorzien. Daardoor bleef het prijspeil van primaire levensbehoeften hoog en schoot er weinig geld over voor produkten van de nijverheid. Voor kooplui ontbrak zo de motivatie om te investeren in modernisering. De afwachtende houding was dus rationeel verantwoord en niet uitsluitend te wijten aan gezapigheid.

Tegenover de industriële sloomheid van de negentiende eeuw staat een gestage industrialisatie in deze eeuw, die zijn hoogtepunt bereikte in de eerste decennia na de oorlog. De basis voor die opleving werd nog in de laatste decennia van de negentiende eeuw gelegd. Mede dank zij de koloniën werd de staatskas gespekt waardoor er geld vrijkwam voor de ontwikkeling van de infrastructuur, die niet alleen de handel maar ook de nijverheid ten goede kwam. In de jaren tachtig werden het spoorwegnet uitgebreid en de bevaarbaarheid van de rivieren verbeterd. In deze periode verdween ook de autonome Nederlandse conjunctuurgolf: zoveel bedrijven raakten verweven met het buitenland dat de gehele economie moest meedansen op de melodie van de internationale conjunctuur.

Uiteindelijk omarmden de kooplui dan toch de vooruitgang.

Was er lang geen interesse voor natuurkunde, aan het begin van de eeuw leverde Nederland gelijk vijf Nobel-prijswinnaars in de exacte vakken. De jaarlijkse groei van de industriële beroepsbevolking verdubbelde. Het produktieproces werd gemoderniseerd en Nederland kreeg kapitaalgoederenindustrie: machine- en motorenbouw, metaal-scheepsbouw.

Van Indië profiteerde in eerste instantie de handel. Maar na verloop van tijd werd ook Nederlands fabrikaat geëxporteerd en deelde de Nederlandse industrie in de toename van de Nederlandse welvaart. Stork legde zich toe op centrifuges voor de Indische suikerindustrie.

Na de Eerste Wereldoorlog werd de industrialisatie onverdroten voortgezet. Geschrokken van de afhankelijkheid van het buitenland die tijdens de oorlog aan het licht was gekomen, zette de industrie haar zinnen op onafhankelijkheid. Zo investeerde F.H. Fentener Van Vlissingen, directeur van de Steenkolen-Handels-Vereniging, in AKU en Hoogovens en begon Philips met een eigen glasblazerij. De infrastructuur kreeg een enorme impuls, hetgeen de produktie van vervoermiddelen (schepen) stimuleerde. Fokker en KLM werden opgericht. Tegen 1938 beschikte Nederland over het meest efficiënte spoorwegnet van Europa.

In de jaren tussen de oorlogen kregen de industriëlen bovendien meer oog voor de academische wereld. Research and development deden hun intrede met de oprichting van belangrijke laboratoria als het NatLab (Philips), Shell Amsterdam, TNO, het Waterloopkundig Laboratorium, het Nationaal Luchtvaartlaboratorium en de NV Onderzoeksinstituut "Research' van de AKU-bedrijven. De industriële ondernemers gingen mee met de mode van hun tijd en omarmden het uit Amerika overgewaaide Taylorisme. In de jaren '20 werd efficiency-verbetering zo populair dat de eerste consultants zich aandienden, onder wie ir. B.W. Berenschot.

De wederopbouw na 1945 was in wezen één grote industriële impuls. Veertig procent van de produktiecapaciteit was tijdens de oorlog vernield. Dank zij de Marshall-hulp en voortvarend ter hand genomen vijf-jarenplannen kreeg Nederland een formidabele basisindustrie, gericht op de export. In IJmuiden werd de staalindustrie uitgebreid, in de Rijnmond ontsproot een petrochemische industrie van formaat. Vierhonderd Amerikaanse ondernemingen werden naar Nederland gehaald en binnen de korste keren had Nederland de vijfde chemische industrie van Europa. In 1963 maakte de regering de balans op: sinds de oorlog waren 470.000 banen in de industrie geschapen, was het nationaal inkomen met zestig procent gegroeid en hadden de research-instellingen een nieuwe bloei doorgemaakt.

Voor een land dat zich als handelsnatie afficheert, was de industriële bloei in de periode 1890-1970 opmerkelijk. De industrie overleefde een economische wereldcrisis en twee wereldoorlogen. Het aandeel van de nijverheid in het bruto nationaal produkt steeg van 27 procent in 1913 tot 42 procent in 1970. De export explodeerde en het aandeel van landbouwprodukten in de handel met het buitenland nam geleidelijk af. Chemie en elektrotechniek namen daarentegen een steeds prominentere plaats in in het Nederlandse exportpakket.

Het belang van de industrie valt niet alleen af te lezen uit produktiestatistieken. Veel maatschappelijke kenmerken van het huidige Nederland zijn op de industrialisatie terug te voeren. De opkomst van de industrie verminderde de traditionele overmacht van de grote steden in het Westen ten gunste van Noord-Brabant en de oostelijke provincies. Het kleinbedrijf moest plaatsmaken voor middelgrote en grote ondernemingen.

De industriële bloei overziend, wekt het verbazing dat nijverheid en ambacht zo weinig indruk hebben gemaakt op de manier waarop Nederland zichzelf ziet. Nederland afficheert zich nog steeds graag als diensten- en distributieland. Zozeer zelfs, dat ook niet-industriëlen van mening zijn dat de industrie er wat bekaaid vanaf komt. De industrie leidt, zoals ABN Amro-bestuursvoorzitter Hazelhoff het een tikkeltje deftig formuleert, aan een “waarde-waarderingsparadox". De waardering die de industrie toekomt staat in geen verhouding tot haar waarde voor de economische structuur. De dienstensector, daarentegen, krijgt juist onevenredig veel aandacht.

Daaraan is ongetwijfeld debet dat de industrie hier pas laat ten tonele verscheen en numeriek gedurende lange periodes in de minderheid was. In de negentiende eeuw werd ze overvleugeld door de landbouwsector, tegenwoordig staat ze in de schaduw van de dienstensector. De industrie levert 20 procent van de toegevoegde waarde en zet daar 20 procent van de beroepsbevolking voor in. De dienstensector levert met de helft van de werkende bevolking de helft van de welvaart.

In het dagelijkse geweld van strijdende belangengroeperingen kan de industrie zich bovendien niet goed staande houden. De industriële lobby valt in het niet bij de geöliede machinerieën die de belangen van landbouw en gezondheidszorg verdedigen. De grote werkgeversorganisaties behartigen de belangen van alle ondernemingen. Industriële organisaties, zoals de FME, zijn branchegericht en verhoudingsgewijs klein. De industrie werkt in Den Haag hoofdzakelijk met gelegenheidscoalities. De kongsi die zich bekommert om de hoogte van de energieprijzen is een andere dan de lobby die het technologiebeleid probeert te beïnvloeden. In tijden van hoogconjunctuur verdwijnt de industrie zelfs helemaal uit beeld. Met als gevolg dat de kreet Nederland Industrieland een feilloze indicator is geworden voor bedrijfseconomische malaise: je hoort hem alleen als een of meer ondernemingen het water tot de lippen is gestegen.

Ook heeft de industrie niet altijd een even sympathiek gezicht. Voorheen maakte ze naam met kinderarbeid en geestdodend bandwerk, tegenwoordig vervuilt ze het milieu. Daar staat tegenover dat ook op het gedrag van kooplieden en hereboeren wel een en ander valt af te dingen.

De handelstraditie van Nederland is geen kleinigheid. Het beste bewijs daarvoor is nog wel dat zelfs de industrialisatie de sporen draagt van het streven naar snel gewin. Na de Tweede Wereldoorlog heeft Nederland zich toegelegd op halffabrikaten. De grondstof wordt net zo lang bewerkt totdat er een markt voor is, maar dan ook niet veel langer. Bovendien was de industrialisatie tijdens de Wederopbouw uit de nood geboren. Het was een kwestie van industrialiseren of verhongeren. De huidige industriële structuur draagt duidelijk de sporen van die "afgedwongen' bloei van de Nederlandse industrie en de eeuwige speurtocht naar een snelle deal.

Uiteraard heeft Philips zijn bloei te danken aan de rappe snoever Anton, die met de gloeilamp stad en land afreisde.

Het zou de geschiedschrijving van Philips dan ook geweld aandoen om alleen de techneut Gerard te eren met een standbeeld. Beide broertjes maken deel uit van het industriële erfgoed, ook al waren de Gerards vaak laatbloeiers en bijna altijd in de minderheid.

Een land ziet zijn voorvaderen het liefst in een hoedanigheid waarin ze groots zijn geweest. Het is moeilijk om trots te zijn op het kneusje van de klas. Toch heeft Nederland bewezen ook geschikt te zijn voor industrie. Voor industrieel falen bestaat in ieder geval geen cultureel of historisch excuus. Zelfs niet in de handelsnatie.