Nieuw leven voor Rusland als hart van Euro-Azië

MOSKOU, 6 FEBR. Hoe hij vijftien jaar geleden in Angola heeft geheten, weet Kolja niet meer. Zijn naam in Afghanistan is hem ook ontschoten. Althans, dat zegt Kolja. “We hadden allemaal schuilnamen.” Maar wat hij in Afrika en Azië heeft gedaan, wil hij via veel omtrekkende bewegingen wel kwijt: hij heeft er als jonge “vrijwilliger” van het “proletarisch internationalisme” tegen het “imperialisme” gevochten. Het had ook Ethiopië kunnen zijn. Of Vietnam, als hij vijf jaar ouder was geweest. Ruim vijf jaar van zijn leven heeft hij zo in de frontlinie gesleten. De belangrijkste jaren: hij heeft echt deelgenomen aan de wereldgeschiedenis van de jaren zeventig.

Dat Kolja op zijn negentiende dienst bij de proletarische brigadisten nam, lag min of meer voor de hand. Zijn stamboom wees in 1975 bijna logischerwijs in die richting. De halve geschiedenis van de twintigste-eeuwse arbeidersbeweging kwam in hem samen. Via moeders kant is Kolja namelijk een Rus, langs de vaderlijke lijn is hij Spanjaard. Zijn eerste grootvader werkte tot de revolutie voor Siemens. Opa moest in Rusland de eerste gloeilampen verkopen. Met het begin van de Sovjet-Unie werd hij een gevangene van zijn staatsburgerschap. Zijn professie was voor het nieuwe bewind een prioriteit. Kolja's tweede grootvader kwam oorspronkelijk uit Reggio Emilia (Italië), was communist en moest daarom zijn land verlaten nadat kameraad Antonio Gramsci in 1926 door Mussolini gevangen werd gezet. De reis voerde aanvankelijk naar Argentinië. Maar toen daar in 1946 Juan Peron aan de macht kwam - de plebejische fascist die het uit concurrentiebeding vooral had gemunt op het lokale communisme dat in de decennia daarna op zijn beurt daarom steeds een uitermate dubbelzinnige relatie wist te onderhouden met de verschillende anti-peronistische militaire dictators - moest het gezin uitwijken. Naar het socialistische vaderland uiteraard. Als dank voor bewezen diensten werd de Italiaans/Argentijnse grootvader echter eerst naar Siberië gestuurd.

Het kon zijn zoon, de vader van Kolja, er desondanks niet van weerhouden zich voor de proletarische zaak te blijven inzetten. Hij werd niet alleen lid van de partij maar ook medewerker van de KGB, de instelling waar Kolja's moeder ook zou gaan werken.

Kolja zelf volgde dat spoor toen hij twintig was. Hij had twee jaar aan het polytechnische Bauman-instituut in Moskou gestudeerd en meldde zich vervolgens aan als “vrijwilliger” voor Afrika. Een militaire opleiding en een KGB-training gingen aan de dienstreis vooraf.

Eenmaal in Luanda gearriveerd, was het zijn eerste taak om de radikale bevrijdingsbeweging MPLA te ondersteunen. De kost ging voor de baat uit. De MPLA bleek zich vervolgens, toen de burgeroorlog met de Unita van Jonas Savimbi ging escaleren, tot dankbare steunpilaar van het Sovjet-rijk te willen ontwikkelen. De massale inzet van Cubaanse miltairen zou dat later complementeren. De intenties van de Sovjet-broeders in Angola gingen al snel verder. Kolja moest naar Zuidwest-Afrika om er Sam Nujoma, de leider van de Namibische bevrijdingsbeweging SWAPO, nu president, als bodyguard te bewaken. Hij zat kort in Botswana om dienst te doen bij het ANC en wist zelfs door te dringen tot Johannesburg in Zuid-Afrika, een land waarmee de Sovjet-Unie toen geen diplomatieke banden onderhield en voor “internationale brigadisten” dus helemaal verboden gebied was. Zoals hij later vanuit Afghanistan ook Pakistan heeft bezocht. Voor een illegale grenspassage draaide hij indertijd zijn hand nu eenmaal niet om. En “romantisch” was het zeker.

En nu? Nu kijkt Kolja met dubbelzinnige schaamte om. Om zichzelf met terugwerkende kracht te rechtvaardigen, verklaart hij daarom plechtig dat hem daar in Johannesburg al de ogen zijn geopend. Het was in Zuid-Afrika helemaal niet zo “beroerd als de kranten hier schreven”. “De levenstandaard van de zwarten was er hoger dan van de blanken in Rusland”, zegt hij terwijl hij in zijn keuken de doorgekookte spaghetti opdient, de fles rode Martini nog eens uitschenkt en zijn kennis van het Afrikaans (“slegs vir blanke” en “baie goed”) demonstreert. Maar waarom dan een paar jaar later op herhaling in Afghanistan? “Omdat daar gevaar voor Rusland dreigde. Kijk maar naar wat er nu in Tadzjikistan gebeurt.”

Ongemerkt en wellicht ongewild illustreert Kolja met dit onderscheid tussen christelijk Afrika en islamitisch Azië hoe moeilijk het is om het Russische imperiale denken eenduidig te begrijpen. De buitenlandse politiek van het oude regime is niet louter "Sovjet' geweest. Ze heeft altijd diepere wortels gehad: in het idee dat Rusland als hart van het Euro-Aziatische continent een “eigen weg” heeft te gaan.

Dit Euro-Azianisme, dat door de perestrojka van Gorbatsjov en de Westerse oriëntatie van zijn naaste medestanders enige jaren ondergedoken leek te zijn, is in het tijdperk-Jeltsin wederom aan een nieuw leven begonnen.