Nederland kan de Antillen geen staatsverband opdringen

Op 8 en 9 maart aanstaande zal op Curaçao een conferentie worden belegd over de verdere toekomst van de Antillen en Aruba. St. Maarten, Saba en St. Eustatius zouden als Bovenwindse eilanden bereid zijn op een aantal beleidsterreinen onder erkenning van elkaars zelfbeschikkingsrecht samen te werken. Minister Hirsch Ballin voor Antilliaanse en Arubaanse Zaken acht een Nederlandse overzeese provincie, bestaande uit de Bovenwindse eilanden niet ondenkbaar. Een paar jaar geleden had hij al de mogelijkheid geopperd van de Bovenwinden als een apart autonoom land binnen het Koninkrijk. Tegelijkertijd ziet hij ook wel wat in een licht federatief verband tussen alle eilanden.

Voor de Nederlandse minister lijken nogal wat constructies bespreekbaar. Deze vrijdenkerij lijkt heel goed verklaarbaar uit de politieke patstelling die het gevolg is van het zelfbeschikkingsrecht van de onderscheiden eilandbevolkingen. Dit recht is in 1983 reeds uitdrukkelijk op een zogeheten Ronde Tafel Conferentie door de Nederlandse Antillen, de onderscheiden overzeese eilanden en Nederland erkend. Ten aanzien van Aruba lijkt nu stilzwijgend aangenomen te worden dat dit recht kan uitmonden in een "definitieve' status van afzonderlijk land binnen het Koninkrijksstatuut, dat wil zeggen één zonder de verplichting onafhankelijk te worden. De consequenties van dit Arubaanse precedent aanvaardend, zou Nederland in extremo geconfronteerd kunnen worden met een rijk bestaand uit één Europees land en zes Caraïbische landen.

Een dergelijk rijk zal voor Nederlandse politici een weinig aanlokkelijk alternatief voor de huidige situatie zijn. Op dit moment wordt technische bijstand, bijvoorbeeld voor het ontwerpen van wetgeving, het innen van belasting, het bestrijden van grensoverschrijdende criminaliteit, in tweevoud gegeven, namelijk ten behoeve de Antillen en ten behoeve van Aruba. Dat zou dan straks in veelvoud moeten gebeuren.

Er ontstaan grote overheadkosten, wat nog helemaal los staat van de vraag of nog meer universiteiten, rekenkamers, centrale banken, luchtvaartmaatschappijen, en dergelijke in miniatuur een garantie vormen voor (financieel) gezond bestuur. De bezwaren zullen nog groter zijn als bedacht wordt welke mogelijkheden er ontstaan voor drugscriminelen om hun zaken van het ene eiland naar het andere te verleggen.

De positie van de onderscheiden eilanden is ook duidelijk. Hun zelfbeschikkingsrecht is door Nederland erkend. Hoe zou Nederland hun dan ook enig staatsverband kunnen opdringen waarvan het op voorhand volstrekt onduidelijk is, of dat verband echte- dan wel windeieren zal opleveren. Menig Antilliaanse eilandsbestuurder zit met de zorg dat er op de maandelijkse betaaldag geen geld in kas zou kunnen zijn om de ambtenaren te betalen. Waarom zou hij zich nodeloos verbinden aan een collega-bestuurder op een naburig eiland die met dezelfde zorg zit. Waarom zou de arme relaties aanknopen met de andere arme in plaats van met met de rijke (Nederland).

In Nederland is men altijd uitgegaan van de gedachte dat de armen elkaar zouden moeten onderhouden. Het zogeheten solidariteitsfonds, ontstaan na de status aparte van Aruba in 1986, moet dan ook zoveel mogelijk overzee gevoed worden. Dit fonds is dan ook niet meer dan een nieuw jasje van de aloude verplichting van Curaçao en Aruba om de tekorten van de kleinere eilanden op te vangen. Ook voor het ontstaan van het fonds was Nederland, hoewel de jure bevoegd, politiek onmachtig aanzienlijke geldstromen van de relatief rijkere eilanden naar de armere te doen stromen.

Wat moet er nu gebeuren? Heeft het zin de ene arme in de armen van de andere te laten vallen alleen op basis van papieren constructies, hoe dan ook geheten? Het lijkt me toe dat de rijke op deze manier niet de armen bij elkaar krijgt. Hij moet eerder de armen allebei geld geven voor een brood met de boodschap dat er bij samenwerking voor beide wel een krentenbrood in het verschiet kan liggen. Hij kan ook een oventje ter beschikking stellen waarin beiden samen brood kunnen bakken.

Het bovenstaande is beelspraak. Zou het ook op de bestuurlijke wereld van toepassing zijn? Ik denk van wel. Als er in de wereld van het universitaire onderzoek geld uitgetrokken wordt voor samenwerking, kunnen er de meest merkwaardige allianties ontstaan van geldruikende speurneuzen. Als daarentegen ieder zelf maar moet zien potjes aan te boren dan worden collega's concurrenten die proberen elkaar onderuit te halen.

In de vakpers heb ik reeds gepleit voor een wet met aansluitingsvoorwaarden voor Antilliaanse eilanden. Uitgaande van het zelfbeschikkingsrecht mogen zij kiezen. Dat recht kan hun immers niet met moreel gepraat ontzegd worden maar het behoeft niet automatisch een splendid isolation te zijn met alleen maar reddingslijnen naar Nederlandse geldpotjes. De wet moet een duidelijke financiële paragraaf hebben waaruit duidelijk wordt dat een keuze voor afzondering een minder riant bestuurlijk leven zal bieden dan een keuze voor samenwerking.

De namen van te ontwerpen en door eilandbevolkingen te kiezen constructies zijn vervolgens van minder belang. De Britten besteedden in 1986 3,5 procent van hun ontwikkelingshulp aan hun overzeese rijk, de Fransen 31 procent van hun hulp aan hun veel kleinere rijk. Met dit gegeven in het hoofd zou ik als Antilliaans eiland het liefste een département d'outre mer willen zijn. Als de cijfers net andersom lagen zou ik de status van dependency verkiezen.