Modern autoritarisme is betere term voor fascisme

In de discussie die J.L. Heldring op gang heeft gebracht over het innige verband tussen fascisme en democratie is opnieuw gebleken dat fascisme als politieke stroming en regime nog steeds een bron van verwarring is. Fascisme is oorspronkelijk de naam van de Italiaanse politieke beweging die door Mussolini in 1919 is gesticht en in oktober 1922 aan de macht komt. Na de oorlog is het allengs een verzamelnaam geworden waaronder ook andere autoritaire bewegingen en regimes in en buiten Europa gebracht worden zoals het nationaal-socialisme, het autoritaire regime van Dollfuss en Schnuschnigg, dat van 1933 tot 1938 in Oostenrijk aan de macht was, het autoritaire bewind van Franco in Spanje en van Salazar in Portugal, de militaire regimes in Latijns Amerika, enzovoorts.

Heldring verzet zich tegen die toenemende verruiming die het begrip fascisme na de oorlog heeft ondergaan als gevolg van de verdoezeling van de grote verschillen die er tussen allerlei als fascistisch benoemde stromingen bestaan. De autoritaire regimes van onder meer Franco en Salazar hadden geen democratische achtergrond en waren daarom zijns inziens niet fascistisch van aard.

Ik teken hierbij aan dat er in de literatuur over fascisme wel degelijk oog is voor de grote onderlinge verschillen tussen fascistische regimes. Zo worden er verschillende gradaties en varianten in fascisme onderscheiden waartussen aanzienlijke verschillen bestaan, samenhangend met verschillen in sociaal-economisch en politiek ontwikkelingsniveau en met specifiek nationale omstandigheden. De door Heldring genoemde fascisme-kenner E. Nolte onderscheidt bijvoorbeeld de volgende gradaties: pre-fascisme (zoals de militaire dictatuur van Pilsudski in het interbellum in Polen), vroeg-fascisme (de Action Française), normaal fascisme (het fascisme van Mussolini) en radicaal fascisme (nationaal-socialisme).

Wat politieke steun betreft, pleegt men twee grote varianten te onderscheiden: - fascistische bewegingen en regimes die geleid woroden door een uit het volk voortgekomen partijleider en partij-elite en steun vinden in een brede massa-beweging en daardoor een radicaal en dynamisch karakter hebben (populistisch fascisme); - en fascistische bewegingen en regimes, die niet steunen op zo'n massabeweging, maar op het prestige van de oude bovenlagen van de samenleving (adel, militaire en ambtelijke elite, kerkelijk gezag) en een traditioneel-conservatief karakter hebben (traditioneel-conservatieve variant).

Tot de eerste variant rekent men de fascistische regimes in Italië en Duitsland. Binnen deze variant bestaan ook nog grote verschillen, waarop Mussolini zelf nadrukkelijk de aandacht heeft gevestigd. In het Duitse nationaal-socialisme staat de eenheid van het raszuivere volk centraal met de Führer als belichaming hiervan (met als rechtsopvatting: "Recht ist was dem Volke nützt'). In het Italiaanse fascisme daarentegen de eenheid van de (nationale) staat. Mussolini had ook weinig affiniteit met Hitlers rassentheorie en zijn anti-semitische politiek.

Bekende voorbeelden van de tweede variant zijn de autoritaire regimes van Franco, Salazar en Dollfuss, die mede steun vonden in het kerkelijk gezag. Onder de leuze "God wil het' streefde de Oostenrijkse kanselier Dollfuss naar een vernieuwing van zijn land in Christus met onder andere de pauselijke encycliek Quadragesimo Anno als inspiratiebron. Verder kunnen tot deze variant gerekend worden de Japanse militaire dictatuur van het interbellum, het Griekse kolonelsbewind (1967-1973) en allerlei militaire regimes in de Derde wereld. Ook deze regimes zijn een reactie op bepaalde ontwikkelingen in de moderne massa-democratie, maar hebben geen democratische machtsbasis.

Wanneer Heldring een nauw verband legt tussen fascisme en democratie doelt hij op de populistische variant, die een produkt is van het democratiseringsproces en zich van de traditioneel-conservatieve variant onderscheidt door een plebiscitair-democratische inslag, die in verkiezingen en referendums, maar vooral in een directe wisselwerking tussen staats- of volksleider en volk tot uiting komt, en in een nieuwe volkse elite.

Alle varianten van het fascisme hebben met elkaar gemeen dat zij zich afzetten tegen neigingen van desintegratie in de moderne massa-democratie zoals gebrek aan nationale eenheid, aan orde, gezag en openbare veiligheid, en teruggrijpen op de autoritaire gezagsprincipes van vóór de Franse Revolutie, zij het aangepast aan de nieuwe historische context van de nationale staat en de moderne industriële cultuur. Dit leidt tot regimes die uitgaan van het primaat van het machtsbeginsel, dus afwijzend staan tegenover de beginselen van de rechtsstaat, gezag, orde, nationale eenheid en veiligheid tot hoogste waarden proclameren, en in ideologisch opzicht steunen op een geradicaliseerde vorm van nationalisme.

Tot het fascisme kunnen ook de ontwikkelingsdictaturen in de Derde wereld gerekend worden, die eveneens voortkomen uit het democratiseringsproces aldaar en in bepaalde opzichten duidelijk overeenkomsten vertonen met de Europese fascistische regimes in het interbellum zoals het primaat van het machtsbeginsel en van orde, gezag, nationale eenheid van veiligheid; de bijzondere politieke machtspositie van de krijgsmacht; de beknotting van vrije meningsuiting en politieke oppositie en een nationalistische (staats)-ideologie als grondslag van opgelegde nationale eenheid.

Uit het voorgaande volgt dat de huidige rechts-radicale partijen (nog) geen fascistisch karakter hebben. Daarvoor is veel meer nodig dan een anti-vreemdelingenpolitiek. Deze partijen fungeren veel meer als protestpartijen dan als een reëel alternatief voor de democratische rechtsstaat.

Gezien de sterk emotioneel geladen betekenis die het fascisme heeft gekregen, rijst overigens de vraag of dit begrip nog wel bruikbaar is ter aanduiding van verschillende soorten van autoritaire regimes. Wellicht kan men beter spreken van modern autoritarisme als verzamelnaam en fascisme reserveren voor het Italiaanse fascisme. Maar de vraag is of het huidige spraakgebruik met zijn toenemende verruiming van het begrip fascisme nog omgebogen kan worden. In Portugal heeft die verruiming al grondwettelijke erkenning gekregen, doordat het Salazar-regime daar in de grondwet van 1976 als fascistisch bestempeld werd.