Meconopsis betonicifolia

Meconopsis betonicifolia is een berucht moeilijke plant, voor veel mensen tenminste: als zo vaak met moeilijke soorten zijn er uitverkorenen voor wie ze groeien als onkruid. De complicaties zijn voor een deel te herleiden tot hun uitzonderlijke eisen: vochtig in de zomer, droog in de winter, voet in de schaduw, kop in de zon - pogingen het Himalayaanse bergklimaat voor ze in het leven te roepen - en tot onze hebberigheid: wie ze eenmaal gezien heeft wil ze hebben, ongeacht de moeilijkheden. Ze kunnen zich, alsof het al geen problemen genoeg gaf ze gewoon te kweken, ook nog misdragen: afsterven na de eerste bloei, of modderig-mauve bloemen voortbrengen in plaats van hemelsblauwe. Van de plant uit gezien is dat een heroïsche poging om te bloeien onder ongunstige omstandigheden; uit het oogpunt dat ons hier interesseert, dat van de tuinier, is het pure perversiteit.

De gemakkelijkste manier om meconopsissen in de tuin te hebben is natuurlijk ze volgroeid te kopen, maar dat is geen cricket en bovendien duur. De andere, sportieve en moeilijke manier, is zelf zaaien. En dan zit je al meteen midden in de controverses; er zijn twee scholen, een die volhoudt dat ze in de herfst moeten worden gezaaid, bijna meteen nadat de zaden gerijpt zijn, en de andere overtuigd dat de daad moet plaatsvinden in januari of begin februari. Opmerkelijk genoeg staan beide scholen open voor suggesties van de andere, een goed voorbeeld van de spreekwoordelijk tolerante en wetenschappelijke instelling gangbaar onder tuiniers, of tenminste een indicatie dat geen van de beide methodes alleenzaligmakend is.

Vorig jaar oktober nodigde ik de lezers uit mij deelgenoot te maken van hun ervaringen en het was interessant te zien dat deze (N = 9) min of meer gelijk verdeeld zijn over beide standpunten, met als voornaamste verschil dat de herfstzaaiers iets minder geneigd zijn zich af te vragen of de andere werkwijze misschien beter is. Er bestaat over dit onderwerp ook een gezaghebbend boek, namelijk Meconopsis, door James L.S.Cobb (Christopher Helm, Londen 1989), waarin de voorjaarsprocedure wordt aanbevolen voor beginners; de najaarsmethode daarentegen is "de perfecte manier ze uit zaad te kweken, maar het vereist vakbekwaamheid'.

Er is ook nog een derde manier, de merkwaardige variant van de Britse zaadhandel "X & Y', een variant die ik nooit ergens anders gezien heb maar die door tenminste één lezer zorgvuldig en met catastrofaal resultaat werd gevolgd. ""Het resultaat [van Meconopsis betonicifolia] is adembenemend'', zo heet het op de door de correspondent zorgzaam bij de brief gevoegde verpakking van deze firma: ""A challenge - experience necessary.'' Dat is zeer juist, maar de methode die dan volgt is op zijn minst zonderling.

Volgens de handleiding van X & Y moet het zaad in de late winter of het vroege voorjaar worden gezaaid, om daarna gedurende "ongeveer vijf weken' te verhuizen naar een koude kas; vervolgens moet het worden blootgesteld aan "een warmte van 13-18 graden'. In de beschrijving van mijn correspondent ""verschenen er na lange tijd vijf minuscule stipjes, met het blote oog nauwelijks te onderscheiden''. Drie daarvan gingen dood, toen waren er nog twee; ""opmerkelijk was echter dat het twee verschillende plantjes leken'', en erger nog, geen van beide bleken een blauwe papaver te zijn (ik vermoed onkruid, geïntroduceerd in die 5 weken).

A qui la faute? Het blijft hoe dan ook een vreemd systeem, dat moeilijk maakt wat met meconopsis volgens iedereen juist het makkelijkst is: het kiemen. Met de andere methodes begin je tenminste nog met een paar honderd kleine plantjes, maar hier slaat het noodlot wel in een heel vroeg stadium toe.

De reden om de meconopsis een zo vroege start te geven is ze tijd te gunnen om sterk genoeg te worden zodat ze hun eerste winter te kunnen doorstaan. De normale manier om dit te doen is ze op warmte (20 graden) te zaaien, niet te donker, maar geen direct zonlicht. Als ze binnen twee of drie weken niet ontkiemd zijn kan je de hoop al opgeven, schrijft Cobb. In het andere geval zet je de verwarming af. Zes tot acht weken later, wanneer ze twee echte bladeren hebben, zijn ze gereed om te worden uitgespeend. Wanneer het warmer weer wordt kunnen ze buiten worden gezet, maar beschut voor wind, regen en slakken; daarna, als ze groter worden, kunnen ze of meteen uitgeplant worden of in grotere potten geplaatst en uitgeplant in het midden van de zomer. Dat wil zeggen: degene die dan nog over zijn, want het blijft kennelijk een slagveld. In ieder stadium zijn ze lastig, geneigd tot verpieteren, met een kwetsbare penwortel en vochteisend. Tegen de herfst moet het percentage dat overleefd heeft een perfect stadium hebben bereikt, delicaat balancerend tussen de ideale robuustheid, benodigd om de volgende lente te bloeien en de super-robuustheid die ze te vroeg "in bloei doet schieten' (Cobb) en daarna van uitputting doet sterven.

Hoe je deze twee graden van robuustheid van elkaar moet onderscheiden is een interessante vraag. Cobb zegt dat meconopsissen een neiging hebben zich als tweejarigen te gedragen, en zelfs ""dat in iedere partij een deel vermoedelijk monocarpisch (éénmaal vruchtdragend) is en dat sommige stammen er meer aanleg voor hebben dan andere. Men moet minimaal éénderde overlevers kunnen verwachten''.

Als dit waar is heeft het weinig zin je druk te maken om die over-robuustheid, zelfs al zou je het kunnen herkennen: of ze willen vaste plant zijn, of ze willen het niet. Wie er niet uitkomt kan nog altijd te werk gaan zoals een andere correspondent beschrijft: ""Als de planten het eerste jaar delicaat lijken, belet ze dan te bloeien door alle knoppen weg te snoeien en zo de wortels gelegenheid te geven zich verder te ontwikkelen. Dan bloeien ze het volgende jaar zonder dat de dood er op volgt.''

In de herfst zaaien klinkt het makkelijkst, hoewel men kennelijk ook veel zaailingen verliest. De zaden worden gezaaid in de herfst (volgens Cobb zes weken na het oogsten), buiten in een koude kas of in een zaaibedje met een plaat glas er over en daarna, stel ik me voor - niemand is kristalhelder over de details - worden ze de volgende lente uitgeplant. En dan moeten ze, net als degene die je gezaaid zou hebben in januari, in het daaropvolgende voorjaar bloeien (dus in het derde jaar na het zaaien).

Twee jaar geleden kreeg ik wat zaailingen; die heb ik de winter heelhuids door weten te krijgen dankzij de simpele strategie van ze te vergeten in hun potten. Vorig jaar waren het schitterende planten en ik verwacht/hoop dat ze komend voorjaar zullen bloeien. Deze methode heeft niet de instemming van Cobb, die zulke planten beschrijft als "really poor': ze werden immers na een "deprived childhood' onderworpen aan een "shameful treatment'.

Het is duidelijk dat het kweken van meconopsis een emotionele aangelegenheid is en, zoals Cobb zegt, ""moeilijke planten oefenen uiteraard aantrekkingskracht uit op een bepaald type tuinier''. Niettemin kan ik, dankzij een diepgaande statistische analyse van de negen ontvangen antwoorden, een wetenschappelijk onderbouwde tip geven: tenzij u uw verblijfplaats hebt in de Himalaya of in Schotland, zorg er dan voor te wonen in een gebied waarvan de postcode met een 1 of een 7 begint, want daar kwamen de tevredenste brieven vandaan.