Laatste dagen van de filmkeuring zijn geteld

Ideële waarden ontwikkelen zich met de samenleving mee, zij behoren de samenleving toe, zij brengen het denken en voelen van een maatschappij tot uitdrukking. Ook geloofsnormen en ethische waarden verschuiven in de tijd. Als de overheid het gedrag naar dit soort waarden wil sturen, dan dient aan ten minste twee voorwaarden te zijn voldaan: de legitimatie uit het algemeen belang moet duidelijk en de waarden die in het geding zijn moeten helder zijn. Tot voor kort waren normen en waarden nog hecht verankerd in het verzuilde maatschappelijke bestel. De "christelijke grondslag van onze natie' was de norm en de verzuilde elite gaf de toon aan van goed en kwaad. In dit klimaat was de filmkeuring een vanzelfsprekendheid, zowel voor de (christelijk geïnspireerde) overheid als voor de burgers uit hun behoefte aan zekerheid en conformisme.

Tegenwoordig is het voor de wetgever veel moeilijker onze samenleving te normeren. Zelfs kwantitatieve en eenduidige normen (belastingen, maximumsnelheid, parkeerverbod) waar het gaat om een eenvoudig moeten, worden ontdoken, ontweken of overtreden, laat staan normen die ons gedrag in ideële zin willen reguleren. Regelconform gedrag (acceptatie van beleid) is in het laatste geval een kwestie van overtuigd zijn van de waarden die in de gestelde norm tot uitdrukking komen. Maatschappelijke consensus daarover is niet gemakkelijk bereikbaar. Voorbeelden zijn er te over: euthanasie, de vaccinatieplicht en het verbieden van tabaks- en alcoholreclame. Alleen als de overheid zich gelegitimeerd weet door het algemeen belang dat boven het individuele belang uitstijgt, is er grond voor overheidsinterventie.

De maatschappelijke pluriformiteit heeft ook de bodem onder de vanzelfsprekendheid van de filmkeuring weggehaald. De filmkeuring beoordeelt alleen nog bios-coopfilms op hun schadelijke uitwerking voor de jeugd. Zij beschikt niet over sancties, brengt evenmin coupures aan, maar geeft slechts aan of een bioscoopfilm voor alle leeftijden of voor boven de 12 of 16 jaar geschikt is. De meetlat van de schadelijkheid is hoogst subjectief. Verder komt de jeugd niet zoveel in de bioscoop en ze ziet geweld- en seksfilms, zo leert onderzoek, meestal thuis (in het bijzijn van de ouders) op de video of op een van de vele commerciële kabelkanalen. En het Nederlandse publieke omroepbestel - zelf grotendeels voortgekomen uit de verzuiling - strooit uit concurrentie-overwegingen ook klantvriendelijk met een overdaad aan geweldfilms.

Bovendien moet uit kijkcijfers geconcludeerd worden dat een groot gedeelte van het Nederlandse volk geweld en verkrachting, moord en doodslag op de buis apprecieert. Deze ingrediënten zitten trouwens in onze gewelddadige wereld open en bloot als nieuwsonderwerpen in het Journaal. Al deze ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat het instituut van de bioscoopfilmkeuring zichzelf heeft overleefd.

De ministers d'Ancona en Hirsch Ballin vinden het een taak van de opvoeders zelf hun kinderen tegen allerlei maatschappelijke gevaren die de privésfeer raken, te beschermen. Goede voorlichting over films - bioscoopfilms en videofilms - kan ouders en jeugd beter helpen een verantwoorde keuze te maken uit het overvloedige aanbod dan een verbod voor jeugdige kijkers waarvan de naleving nog nooit is gecontroleerd (een politieagent posteren bij de ingang van de bioscoop zou in deze tijd mentaal door de samenleving niet worden geaccepteerd). Daartoe is een duidelijke afspraak met film-importeurs, bioscoop-exploitanten en de video-bedrijfstak noodzakelijk. De overheid sluit een contract waarin staat aan welke regels die voorlichting moet voldoen: de inhoud moet waarheidsgetrouw in het kort worden aangegeven, het genre van de film (familiefilm, pornografie, avontuur, thriller) en de leeftijdscategorie (alle leeftijden, tot 12 jaar, tot 16 jaar) moeten worden vermeld. De ministers willen ook de omroep bij dit voorlichtingsplan betrekken. Tenslotte ziet een onafhankelijke instantie toe op de naleving van die voorwaarden en fungeert als klachtenbureau met corrigerende bevoegdheid, zoals op het gebied van het reclamewezen ook bestaat. Niet-naleving van de voorlichtingseis levert een strafbaar feit op. De keuring blijft dus niet gehandhaafd en wordt evenmin verscherpt, in tegenstelling tot wat prof.mr. A.H. de Wild beweert (NRC Handelsblad van 30 januari).

De bewindslieden willen de Wet op de filmvertoningen (1977) afschaffen en vervangen door een nieuwe waarin deze zelfregulering door de bedrijfstak kort en bondig is opgenomen. Ze behouden zich alleen het recht voor als het systeem uit een oogpunt van algemeen belang niet goed wordt uitgevoerd of als het niet te goeder trouw gebeurt (als het publiek de voorgeschreven voorlichting wordt onthouden) met nadere voorschriften te komen ("geconditioneerde zelfregulering') waartoe de nieuwe wet de mogelijkheid moet bieden. Geen ondershandse afspraak nu en geen onverhoedse overval straks, maar het duidelijk en openlijk etaleren van verplichtingen, bevoegdheden en verantwoordelijkheden.

De Vaste commissie voor Welzijn en Cultuur verslikte zich woensdag bijna collectief toen zij een notitie van deze strekking besprak. Terwijl de beide ministers niets anders bedoeld hadden dan de richting aan te geven waarin zij hun wetgevende arbeid wilden bewegen, putten de Kamerleden zich uit in medelijden met de op te heffen filmkeuring, jammerden dat de opbrengst daarvan (ƒ 0,5 mln) toch niet de moeite waard was, dat de ministers nog niet duidelijk hadden aangegeven op grond van welke criteria het nieuwe voorlichtingssysteem zou gaan functioneren en dat het evenmin duidelijk was wie het controle-instituut zou controleren.

Het waarom van de verwarring is duidelijk. Morele waarden en normen laten zich in onze samenleving niet meer voegen naar partijverhoudingen of politieke opvattingen. Evenmin kan de wetgever die opleggen. De staat is geen zedenmeester. Wetgeving met een morele lading kan slechts betrekking hebben op maatschappelijke basiswaarden waarover consensus bestaat, anders overschrijdt de wetgever al te gemakkelijk de grenzen van de acceptatie van het beleid en wordt zij ongeloofwaardig. De wetgever moet zich beperken tot maatregelen waarmee de burgers hun eigen verantwoordelijkheid zo goed mogelijk gestalte kunnen geven. Een convenant is daartoe een geschikt instrument. Het legt de verdragsluitende partij verplichtingen op en biedt de consument uit een oogpunt van algemeen belang bescherming tot waar de eigen verantwoordelijkheid van de burger begint. Mits de hoofdlijnen van het convenant in de wet worden neergelegd en de wetgever correctiemogelijkheden achter de hand houdt, is het ook voor het parlement democratisch controleerbaar.