Kruidnagelmonopolie dupeert Molukken; Malafide coöperaties, handelaren en strenge staatsregels zorgen voor wanorde en armoede in specerijenhandel

AMBON/JAKARTA, 6 FEBR. "Honderden tonnen Molukse kruidnagelen onverkoopbaar', kopte een Ambonese krant onlangs. Een opmerkelijk bericht: ooit trotseerden Europese zeevaarders scheurbuik en piraten voor een scheepslading kruidnagelen uit de Molukken, want in de thuishaven ging die met superwinst van de hand. Twee eeuwen na het faillissement van de Vereenigde Oostindische Compagnie wordt opnieuw een poging ondernomen om de handel in "Indische' kruidnagelen te monopoliseren. Deze keer niet door een consortium van Hollandse kooplieden, maar door de Indonesische staat. En weer trekken Molukse boeren aan het kortste eind.

De kruidnagel, de spijkervormige, gedroogde bloemknop van de tropische boom Eugenia aromatica, heeft een bewogen geschiedenis. Voor de komst van de Europanen waren vijf minuscule eilandjes in de Molukken Zee de enige kruidnagelproducenten ter wereld. De bewoners verkochten hun schaarse produkt voor voedsel en stoffen aan Arabische handelaren, die het Europa van de late Middeleeuwen mondjesmaat voorzagen van de begeerde specerij en zo de prijs hoog hielden.

Een kleine eeuw nadat Portugese avonturiers een zeeweg naar de Molukken openden en zo de Arabische tussenhandel passeerden, verschenen er Hollandse kooplieden in de Oost. De Verenigde Oostindische Compagnie spaarde kosten noch mensenlevens om het kruidnagelmonopolie te verwerven: door zijn scheepsgeschut te richten op Portugese en Engelse concurrenten, door knevelverdragen af te sluiten met Molukse hoofden en door de kruidnagelteelt te concentreren op Ambon. Dat ging gepaard met vernietiging van kruidnagelbomen op andere eilanden, een drastisch middel, want de boom bloeit pas na twaalf jaar.

Meer dan een eeuw lang vielen de vruchten van de kruidnagelteelt uitsluitend toe aan de VOC, maar toen kwam de klad in het bedrijf. Sinds 1770 werden zaailingen van de kruidnagelboom door Engelsen en Fransen uit de Molukken gesmokkeld. Die vonden hun weg naar Zanzibar en Pemba, eilanden voor de kust van het huidige Tanzania. Rond 1800 begonnen deze zaailingen te bloeien en zo kwam definitief een einde aan het Hollandse kruidnagelmonopolie. In de negentiende eeuw waren de Molukken voor de Nederlandse staat, die de failliete VOC-boedel overnam, een financiële last.

Indonesië is nog steeds de belangrijkste kruidnagelproducent ter wereld, maar merkwaardig genoeg ook een groot importeur. Het leeuwedeel van de binnenlandse produktie wordt niet langer uitgevoerd, maar verwerkt in kretek-sigaretten, zo genoemd naar het geknetter van de brandende kruidnagelolie. Die zoet geurende rokertjes zijn in Indonesië zo gewild - de mannelijke bevolking rookt er 100 miljoen per dag - dat de Indonesische fabrikanten overgingen tot import van kruidnagelen uit Zanzibar.

Intussen is het zwaartepunt van de binnenlandse kruidnagelproduktie verplaatst naar Sumatra en Sulawesi. De "specerijeneilanden' van weleer moeten genoegen nemen met een plaatsje op de tweede rang. Toch vormen kruidnagelen in de Centrale Molukken nog steeds een belangrijk marktgewas. Bijna alle boeren op Ambon en de omringende eilanden hebben kruidnagelbomen in hun tuin; zij zijn voor een deel van hun inkomen aangewezen op de najaarsoogst.

Omdat de gezamenlijke kretek-fabrikanten verreweg de grootste afnemer zijn van Indonesische kruidnagelen konden zij via particuliere opkopers lange tijd de prijs dicteren. De overheid heeft meerdere malen geprobeerd om de binnenlandse kruidnagelhandel te reguleren, zeggens om de boeren te beschermen tegen knevelpraktijken van de industrie. Zo mogen de verbouwers hun kruidnagelen uitsluitend verkopen aan de Kooperasi Unit Desa (KUD's, coöperaties op dorpsniveau), de enige toegestane organisatievorm voor Indonesische boeren en in feite een verlengstuk van de overheid. De KUD's moeten de kruidnagelen inkopen tegen een vastgestelde bodemprijs en vervolgens verkopen via regionale veilingen.

In de Molukken zijn de ervaringen met dit semi-publieke coöperatiewezen niet gunstig. KUD-bestuurders maken zich nogal eens schuldig aan zelfverrijking, afgedekt door onorthodoxe boekhoudpraktijken. De Wageningse landbouwjurist Otto Hospes deed in de jaren 1989-'90 onderzoek naar de KUD van een Ambonees dorp. Hospes: “Het officiele verhaal klinkt als een sprookje. De KUD is de herder die de boerenkudde moet beschermen tegen de wolf, de particuliere opkoper. De coöperatie, zo gaat het verhaal, koopt in tegen een vastgestelde bodemprijs en verkoopt die met winst op de veiling van het coöperatiewezen. Uit die winst financiert de KUD de aankoop van produkten, die tegen schappelijke prijzen worden verkocht in plaatselijke KUD-winkels. Ik constateerde iets anders: de KUD van het dorp ontdook steevast de bodemprijs en veelal had men niet eens de middelen om van de boeren te kopen. Die sleten hun produkt dan maar aan de plaatselijke Chinese winkelier. Als de KUD aan de beurt was om te veilen, maar niets in voorraad had, klopte men aan bij een privé-handelaar in Ambon-stad en bood men diens kruidnagelen ter veiling aan. Ik ken een Chinese koopman die op die manier zaken deed met dertig KUD's en daar goed aan verdiende. Die KUD's deelden de winst met de handelaar en ook de veilingmeester pikte een graantje mee. Zo wisselden de wolf en de herder ongemerkt van rol”.

Op 1 januari 1991 besloot de regering-Soeharto het binnenlandse kruidnagelmonopolie te herstellen in de vorm van een semi-overheidslichaam, het Agentschap voor Voorraadbeheer en Distributie van Kruidnagelen (BPPC). Deze instantie verwierf het alleenrecht om de specerij aan te kopen van de KUD's. Voorzitter werd de veelzijdige zakenman Hutomo Mandala Putera, in de wandeling "Tommy', de jongste zoon van president Soeharto.

De BPPC kreeg tot taak "het inkomen van de kruidnageltelers veilig te stellen, een gestage aanvoer van kruidnagelen naar de sigarettenindustrie te verzekeren en redelijke prijzen te garanderen'. De fabrikanten mochten voortaan alleen kruidnagelen kopen van de BPPC. Op 1 februari 1991 stelde de regering per decreet nieuwe bodemprijzen vast. De KUD's moesten aan de boeren tussen de 7.000 en 8.500 rupiah (zes tot zeveneneenhalve gulden) per kilo kruidnagelen betalen. De BPPC zou van de coöperaties kopen tegen minimaal 8.570 en ten hoogste 10.070 rupiah per kilo en vervolgens verkopen aan de industrie voor een prijs variërend van 10.525 tot 15.000 rupiah per kilo. Uit die marges zouden de KUD's een aandeel verwerven in de BPPC en zouden zowel coöperaties als BPPC hun bedrijfskosten dekken.

De sigarettenindustrie sprak van monopolistische knevelarij, verklaarde de BPPC de oorlog en betrok illegaal kruidnagelen uit Singapore. De BPPC dreigde om te komen in zijn voorraden, maar werd gered door fluweelzachte kredieten van een aantal staatsbanken. Intusssen werden de KUD's steeds armlastiger en daalde de kruidnagelprijs. Tijdens een hoorzitting van het parlement weet Tommy dit fiasco aan de industrie en aan de boeren, die te veel kruidnagelbomen zouden planten. Hij stelde voor om de helft van de oogst maar te vernietigen. Daarop beschuldigden boze parlementariers de jonge Soeharto van "VOC-praktijken'.

Naar aanleiding van de BPPC-perikelen stelde Jakarta vorig jaar nieuwe richtlijnen vast voor de kruidnagelhandel. De bodemprijs voor de boer blijft 7.900 rupiah de kilo, maar de verbouwer krijgt maar 4.000 rupiah in handen. Het verschil zou dienen om de KUD's aan kapitaal te helpen en de boeren te laten sparen.

In Ambon ervaart men dat anders. Een eigenaar van honderd kruidnagelbomen: “In oktober '90 heb ik wel zesduizend gulden verdiend aan de kruidnageloogst. Dit najaar heb ik maar honderd kilo laten plukken, die ik uit arren moede voor iets meer dan 200 gulden heb verkocht aan de plaatselijke coöperatie”. Twee jaar geleden ving de man zevenduizend rupiah (zes gulden) per kilo van een handelaar; voor de jongste oogst betaalde de KUD maar 2.500 rupiah per kilo. Zelfs de aangepaste inkoopsprijs wordt ontdoken. Voor de eigenaren van grotere tuinen is het plukloon van een dagloner, 3.000 rupiah, niet meer op te brengen en een groot deel van de knoppen blijft aan de bomen hangen.

Intussen houden de autoriteiten streng de hand aan de nieuwe regels. Dit najaar kregen de Chinese kooplieden in Ambon-stad van het provinciebestuur een ondubbelzinnige waarschuwing: als zij het waagden om kruidnagelen van de boeren te kopen, zouden zij ogenblikkelijk hun bedrijfsvergunning verliezen. De gevolgen bleven niet uit: een plaatselijke krant in Ambon meldde dat "honderden tonnen Molukse kruidnagelen zelfs niet aan de straatstenen zijn te slijten, omdat de handel niet mag kopen en de KUD's geen geld hebben'.

De Gouden Eeuw van de specerijenhandel mag dan lang voorbij zijn, in de Molukken weet men het nog: kruidnagelmonopolie, boerenbedrog. En dat is geen sprookje.