"Je hoeft geen afscheid van me te nemen, het leven gaat door'; "Ik zou Visser heus wel helpen, uit medeleven niet uit dankbaarheid'

"Ik wil vooral openheid en eerlijkheid, maar dan ook over alles' Vele malen was hij kampioen. Hij is olympisch medaille-winnaar en Nederlands bekendste judoka, BEN SPIJKERS. Nu wacht de 31-jarige op het mogelijk laatste oordeel. Een beschadigde sportjongen die nu zelf zou beschadigen. Sport en de schijn van heiligheid. Zoeken naar bescherming, waardering en onthechting.

Achter zijn rug schuiven lange boten voorbij over de koude rivier. Ze verdwijnen zoals ze zijn gekomen. Langzaam maar zeker. Ze gaan op in de mist. Voorgoed. Stoer en sterk, geladen maar ogenschijnlijk niet belast, kijkt hij uit zijn ogen.

Of hij ergens bang voor is? Hij lacht om de vraag. Hij lacht om bangheid. Waarvoor zou hij in Gods naam bang zijn? “Nou ja, om dood te gaan. Op een vervelende manier. Dat is het enige. De meest vervelende dingen, daar kun je nog overheen komen, die kun je nog verwerken. Maar na de dood is dat heel lastig.”

Dat er mensen zijn die niet willen dat hij terugkeert aan de top van de judosport, dat weet hij zeker. Maar dat het ook werkelijk kan gebeuren, boezemt hem allerminst vrees in. Als binnenkort het bericht komt dat zijn schorsing gehandhaafd blijft, zal dat hem er niet van weerhouden door te gaan. Niemand kan hem tegenhouden.

Dan gaat hij door, dan zal de middengewicht desnoods honderd kilo worden om als zwaargewicht opnieuw de strijd aan te gaan. Net zo lang totdat ze niet meer om Ben Spijkers heen kunnen. Doorgaan, desnoods onder Belgische of Franse vlag. Bij een Franse club. Daar waar zijn reputatie wèl gerespecteerd wordt. “Kom nou, niet te terminaal worden. Je hoeft geen afscheid van me te nemen. Het leven gaat door.”

Hij zou mensen in de Nederlandse judowereld hebben beschadigd. Hij zou de judosport hebben beschadigd. Voorzitter Hoogendijk en bondscoach Visser zijn in zijn ogen zoiets als machtswellustelingen, die er op uit zijn hem er om een of andere reden uit te werken. Hij zou Visser van racistische en fascistische uitingen hebben beschuldigd. Hij zou judoka's hebben beschuldigd van doping.

Verschillende commissies peinzen zich suf over deze kwesties. Spijkers dient zich te verontschuldigen. Daar zal het op neerkomen. Maar dat weigert hij. Hij heeft niemand beschuldigd. Hij zegt misbruikt te zijn door journalisten, die zijn woorden verdraaid hebben, die van hem wilden horen wat ze wilden horen.

Hij voelde zich overvallen in het tv-programma "Barend en Van Dorp', zegt hij. Door de vraag over zijn vermoeden dat Nederlandse judoka's doping nemen. “Ze wilden me hebben om daarover te praten. Dat wist ik wel. Maar ik sprak af dat ik dat niet wilde. Ik wilde alleen praten over de manier waarop ik aan de kant wordt geschoven door Visser. Toen ze er toch over begonnen kon ik niet adequaat antwoorden. Zo ineens in de hitte van de camera bestookt worden, dan glij je uit. Voordat je het weet wordt de indruk gewekt dat ik mensen beschuldig.”

De judobond vond de uitlating grievend genoeg om Spijkers tot de orde te roepen. Een commissie ging na of inderdaad doping werd gebruikt. De uitslag laat zich raden, beseft Spijkers. “Ik heb met die commissie gesproken en we waren het met elkaar eens. Er valt niets te bewijzen. Maar ook dat iedereen vermoedens heeft wanneer hij bepaalde jongens ziet. Er zijn in Nederland artsen die je zomaar doping geven als je dat zou willen. Die mensen denken ruim over middelen die herstelbevorderend werken. Dat is bekend. Toen ik last van mijn rug had, kon ik een spuit krijgen op Papendal. Ik wilde dat niet. Maar het gevaar bestaat dat jonge jongens, onder druk van hun coach, het wèl doen.”

Dat bondscoach Wim Visser zich racistisch en fascistisch heeft gedragen, zoals Spijkers beweerd zou hebben, is volgens hem nooit letterlijk tegen een journalist gezegd. “Alleen dat Visser racistische en fascistische neigingen toont wanneer hij met een grijns toelaat dat andere judoka's geld zetten op het verwonden van een negertje. Daar niets tegen doet. Verder heb ik nooit willen gaan. Dat is al ruim een half jaar geleden met Visser uitgesproken. Als ik het wel èn bewust gezegd zou hebben, zou ik hem mijn excuses hebben aangeboden. Ik hoef dat nu niet. Ik heb niemand beschadigd.”

Maar is hij dan niet boos? Boos op Visser, de man die hem de beste Nederlandse judoka maakte, die hem vanaf zijn zestiende zes jaar bij hem in huis had, maar hem nu aan de kant schuift ten gunste van een jonge, eigen, judoka. Terwijl hij momenteel weer kampioen is geworden. Het is alsof hij zich machteloos voelt tegenover de onverstoorbare zwijger Visser. Dat hij zijn gram wil halen, zeker ook door zijn verleden.

“Nee, ik ben niet boos. Het is al ruim zes jaar geleden dat onze emotionele band is verbroken. Na zo'n periode mag je er toch wel vanuit gaan dat de breuk verwerkt is. Ik ben er alleen heel laat achter gekomen wat hij met me voor heeft gehad. Gelukkig maar dat me dat gevoel zo lang bespaard is gebleven. Anders had ik me er verschrikkelijk bij gevoeld.

“Op een bepaalde moment ben je met elkaar klaar. Dan is er alleen nog een functionele band. Peter Snijders is nu sinds drie jaar mijn coach, met hem is het leven gemakkelijker. Met Willem kan ik nog prima door één deur. Liever niet. Maar als hij bij mij aan zou kloppen, zou ik hem helpen. Omdat hij vroeger dingen voor mij heeft opgeknapt. Ik zou hem helpen uit medeleven, niet uit dankbaarheid.”

Dankbaarheid is hem vreemd als het over de band met zijn ex-coach en ex-pleegvader gaat. “Dankbaar voor Willem? Dat is wel heel ruim uitgedrukt. Willem is niet slecht voor me geweest. Maar dankbaar zijn is overdreven. Ik waardeer het hoogstens. Hij heeft me gebruikt. Ik hem ook. We hadden elkaar nodig. Ik als judoka had hem als goede coach nodig. Hij als coach had mij als kampioen nodig. Toen de emotionele band tussen ons brak, was het alleen uit pure noodzaak dat we met elkaar doorgingen. Hij wilde met mij verder omdat ik prestaties boekte. Door mij kon hij bondscoach worden.

“Maar toen hij eenmaal bondscoach was, zag hij hoe ik buiten zijn school functioneerde. Toen zag hij dat ik niet die zwarte monnik was. Dat was een teleurstelling. Hij dacht dat ik zo was zoals hij me had opgeleid. Hij wilde me binnen de nationale ploeg zelfs verplichten zo te zijn als bij de club. Ik was zijn speerpunt.”

Ben Spijkers lacht als hij de herinnering oproept dat Visser als een vrije en vrolijke man, met lang haar tot over z'n schouders, rondliep toen hij rond zijn twaalfde, dertiende jaar zijn eerste judolessen nam. Spijkers was eigenlijk keeper, een talentvolle. Om te leren valbreken ging hij op judo. Tenslotte koos hij voor de vechtsport.

“Ik kwam bij Willem. Het was er meteen leuk. Mijn ouders waren altijd druk met hun zaak. Ik had veel over straat gezworven. Thuis was de situatie onhoudbaar door mijn vader. Mijn moeder had geen leven, mijn vader werd agressief en dronk. Een hele grote man. Ik kon er beter niet zijn dan wel. Later kon ik het beter begrijpen. Een combinatie van verleden, alcohol, stress en oorlogservaringen, hij had nog strepen op zijn rug. De eerste keer dat hij mij een wedstrijd zag judoën werd hij onwel van de spanning. Hij heeft geloof ik zeven hartaanvallen gehad in zijn leven.

“Wat ik thuis miste was genegenheid en aandacht. Eerst heb ik nog bij mijn oma gewoond. Later trok ik in bij Willem en Margriet. Ze hadden zelf geen kinderen en wilde genegenheid en aandacht geven. Dat viel goed samen. Mijn vader heb ik bewust ruim twee jaar niet gezien, het werd te erg, mijn moeder bezocht ik nog stiekem. Willem en Margriet kwamen naar ouderavonden en waren zelfs bij mijn diploma-uitreiking. Of ze wisten wat er thuis was gebeurd? Nou ja, als je steeds blauwe plekken hebt. Dan kun je er niet omheen blijven draaien. Het was vertrouwd bij Willem en Margriet. Ik herinner me dat ik nog bij hun in bed heb gelegen.”

Veilig en beschermd ontwikkelde hij zich als een talentvol judoka, onder de bezielende leiding van de perfectionist Wim Visser. “Ik was Willems grote voorbeeld, zijn paradepaardje. Het begon mis te gaan, de emotionele band, toen ik vriendinnetjes kreeg. Ze waren er gewoon nog niet klaar voor hun kind los te laten. Ik begrijp het nu wel. Ik val hen er niet op aan. Ik wil duidelijk maken waar mijn band tussen Willem en mij als judoka en judocoach spaak liep. Toen ik niet meer thuis kwam, was ik oncontroleerbaar. Willem kon me niet meer op de houten trap horen als ik thuis kwam. Als ik laat thuis kwam wist ik precies welke treden ik moest overslaan om me niet te verraden.

“Toen ben ik weggegaan. Zes jaar geleden. Op mezelf gaan wonen. De problemen werden er nog groter door. Via Johan van der Haar van de individuele begeleiding van de Nederlandse Sport Federatie kwamen Willem en ik in contact met Ferdi Oyen, een soort sportpsycholoog. Oyen kwam bij ons kijken en organiseerde evaluatiegesprekken. Met hem kon ik eindelijk open spreken over de problemen van thuis. Eindelijk was er nog iemand naast Willem met wie ik kon praten.

“Het verschil was dat ik bij Willem oogkleppen ophad en bij Oyen me ineens vrijer voelde. Ik werd zelfstandiger. En dat was niet de opzet van Willem. Hij schoot niets op met die gesprekken en haakte af. We groeiden nog verder uit elkaar. Zeker omdat Oyen het beter vond alleen op functionele basis met elkaar door te gaan. Dat ik nu open praat over mijn jeugd en mijn vader komt door die gesprekken. Ik wil openheid en vooral eerlijkheid, over alles.”

Spijkers laat zijn gevoel spreken. Daarom soms ook agressie. Altijd opvallend aanwezig die agressie als hij zich te weer moet stellen. Visser heeft hem wel eens moeten behoeden voor een overdaad, als hij al niet eens te ver ging. Dat zal Spijkers niet ontkennen. “Willem en Margriet hebben genoeg met me te stellen gehad.”

Agressie zit in zijn karakter opgesloten, denkt hij. “Maar agressie krijgt ook de overhand als twee judoka's met elkaar vechten. Dan wordt er wel eens geslagen. Kom maar eens op de trainingen kijken. Dan weet je wat en wie ik bedoel. Het is frustrerend als er steeds iemand, zoals ik, boven zo'n jongen staat. Dan slaat frustratie over in agressie. En Willem kan dat prachtig vinden. Ja, ik heb de naam een vechter te zijn, karakter te hebben, en ziel. Dat stimuleert hij.

“Willem en ik hebben lief en leed gedeeld. We hebben samen geknokt. En doen dat nog steeds, met elkaar. Ik heb een uitgesproken mening. Hij heeft iets bazigs over zich. Hij heeft de wijsheid in pacht. Als je dan toch, zoals ik, je eigen weg gaat wordt hij pissig. Dan heeft hij liever dat ik op mijn bek ga. Als ik niet luister heeft hij het liefst dat ik flink onderuit ga.”

Hij praat opvallend onbekommerd. Zowaar toch enige teleurstelling. “Ik ben niet blij met wat er wat er tussen ons is gebeurd. Wat me treft is dat ik altijd gedacht heb dat hij een vriend was. Nee, nee, hij was geen vader. Die neemt beslissingen voor je. Met een vriend bespreek je een beslissing. Je komt met je problemem bij iemand omdat je denkt dat hij een vriend is. Maar dan blijkt dat je elkaar alleen maar gebruikt hebt. Gebruikt hebt om de beste judoka te worden, gebruikt hebt om de beste coach te zijn. Dat je op die manier met elkaar jarenlang bent omgegaan. Dan is het teleurstellend dat je allebei hebt gedacht dat er meer was dan een functionele relatie.”

De kou dringt door de kieren van de serre van de brasserie aan de oever van de rivier. “Ik heb het nooit koud”, zegt hij stoer. Het is tijd om te gaan. Hij heeft een afspraak met zijn vader. “Hij woont nu alleen. Ik ga voor hèm. Met Willem ga ik net zo om als nu met mijn vader. Je kunt wel proberen een relatie te onderhouden. Maar als dat op basis van negatieve ervaringen is, kost dat alleen maar energie. Het leven gaat verder. Daar heb ik al mijn kracht voor nodig.”