INTERPRETATIE

Ik had niet verwacht dat er na een kwart eeuw discussie nog verrassende dingen te melden zouden zijn over het onderwerp "interpretatie'. Maar dan verschijnt een boek onder de simpele titel Over Interpretatie, waarin een confrontatie plaatsvindt tussen twee giganten, Umberto Eco en Richard Rorty (en nog een paar anderen, maar die zijn minder interessant). Het is zó'n inspirerend debat, dat het aanleiding geeft tot even zo inspirerende recensies, zoals die van Carel Peeters in Vrij Nederland van vorige week. "Als een hond die niet wil', heet de bespreking van Peeters, en het is zo'n stuk dat je uitknipt en in het boek bewaart. Peeters vergelijkt de relatie tussen lezer en tekst met die tussen baas en hond. Je hebt autoritaire bazen, zegt hij, zoals Richard Rorty, die geen rekening houdt met de hond zelf; de hond moet doen wat hij zegt. Daartegenover heb je lieve bazen, zoals Eco, die de hond in zijn snuit kijkt en vraagt: Wat zou jij willen? Een ommetje?

Het is een prachtige vondst van Peeters, waarmee je leuke kanten op kunt. Neem bijvoorbeeld Madame Bovary van Flaubert: als lieve baas lees ik er het verhaal in over een française die meer hartstocht bezit dan binnen haar milieu bevredigbaar is. Onbevredigd verlangen. Als iets minder lieve baas lees ik er het verhaal in van een slimme en gepassioneerde vrouw die uit verveling verhalen gaat lezen over andere werelden, het leven uit de boeken wil imiteren, maar bedrogen uitkomt. Het leven in de werkelijkheid is niet zo mooi als in de boeken en mensen van vlees en bloed zijn veel onwaarachtiger dan de personages uit een roman. Verveling en teleurstelling dus. Een zeer autoritaire baas ben ik tenslotte als ik beweer dat Madame Bovary gelezen kan worden als een vroege allegorie van de "migranten-ervaring', omdat ook migranten de neiging hebben om via verhalen, boeken en films hoge verwachtingen te gaan koesteren over het land waar ze naar toe willen, waardoor zij bij aankomst niet anders dan hevig teleurgesteld kunnen raken.

Hoe lankmoedig een tekst ook is, zegt Eco, hij laat niet met zich sollen. Je kunt er niet alles uit lezen wat je wilt, de tekst kan zich "verzetten', er zijn dus grenzen. Theoretisch zijn deze grenzen erg moeilijk vast te stellen, geeft Eco toe, wat niet wil zeggen dat ze er niet zijn. Iedere tekst heeft als het ware een eigen "bedoeling', waar de lezer respect voor moet opbrengen.

Rorty daarentegen zegt dat de vrijheid van de lezer om een tekst te interpreteren principieel onbegrensd is. De tekst heeft niets te willen, de tekst heeft geen intrinsieke bedoeling, de tekst is uitsluitend gebruiksvoorwerp. Terwijl Eco het heeft over de interpretatie van een tekst, spreekt Rorty van het gebruik. Interpretatie suggereert toch nog het zoeken naar een betekenis die al in de tekst verborgen zit. Maar als je een tekst gebruikt, dan lees je er naar eigen behoefte in wat je wilt.

Het zijn twee totaal verschillende wereldbeelden, en Carel Peeters kiest met de baas-hond-metafoor uitdrukkelijk partij voor Eco, waardoor hij het zichzelf onmogelijk maakt recht te doen aan Rorty. Zelf gebruikt Rorty een andere metafoor: de tekst als schroevedraaier. Met een schroevedraaier kun je schroeven draaien, maar je kunt er ook een gesloten doos mee open snijden, je kunt er pindakaas op een boterham mee smeren, je kunt er je nagels mee schoonmaken. De gebruiker van de schroevedraaier heeft het recht om dat instrument te gebruiken zoals hij wil, en het zou absurd zijn te beweren dat zo'n schroevedraaier dat niet zou willen, of dat je, als je er pindakaas mee smeert, er een "oneigenlijk' gebruik van maakt, er geen "respect' voor opbrengt, aan de specifieke "bedoeling' voorbij gaat.

Rorty beseft dat mensen als Eco en Carel Peeters liever de metafoor van de hond hanteren, die toch een eigen willetje heeft, zich een beetje verzet, de baas een klein beetje beïnvloedt. Maar, zegt Rorty, neem dan in hemelsnaam die hond voor wat hij is. Hou van hem, als hond, en ga niet zijn zachte flank opensnijden om te zoeken naar de verborgen constructie: ga de tekst niet uit elkaar halen, probeer niet de codes te kraken, de wetten te onthullen en de grenzen op te sporen. Want dan vermoord je de hond.

Hierop zou Eco kunnen antwoorden dat het misschien nodig is om een bepaalde hond open te snijden en te bestuderen, waardoor je iets te weten komt over de botstructuur en je andere honden in de toekomst beter kunt begrijpen als ze pijn hebben aan een poot. Bovendien houdt de neiging om een object te onderzoeken en te ontleden niet in dat je er minder van gaat houden: ""Ook een gynaecoloog raakt verliefd'', zegt Eco gevat.

Eco wil zelfs een eind met Rorty mee gaan: goed, een tekst is een schroevedraaier, maar kun je met een schroevedraaier ook je oren schoonmaken? Het kan, maar het is niet aan te raden. Dat is een tamelijk dwaas gebruik van het instrument. En kun je de schroevedraaier gebruiken als asbak? Nee, je kan veel met zo'n ding, maar dat niet. Dat is een onmogelijk gebruik. De schroevedraaier heeft dus kennelijk eigenschappen die bepaalde vormen van gebruik bevorderen en weer andere belemmeren.

Ja, zou Rorty hebben geantwoord als hij de bespreking van Carel Peeters had gelezen: ook ik erken grenzen. Een doos open snijden en pindakaas smeren, tot daaraan toe, maar je moet zo'n schroevedraaier niet gebruiken om een hond mee dood te steken. Op dit punt komen de twee wereldbeelden van Rorty en Eco het dichtste bij elkaar. Een tekst kan de lezer niet vertellen wat hij zelf wil, zegt Rorty, wat niet wil zeggen dat de lezer geen ethische beperkingen heeft. Rorty bepleit gebruik, geen misbruik. Een tekst is voor hem een geheel van stimuli, dat het "betrekkelijk makkelijk' of "betrekkelijk moeilijk' maakt er iets uit te lezen dat een persoonlijke behoefte bevredigt. Als je Madame Bovary wilt lezen als een allegorie op de migranten-ervaring, ga dan gerust je gang, zou Rorty hebben gezegd. Maar probeer het dan wel zo overtuigend mogelijk te brengen, anders maak je je alleen maar belachelijk.

Rorty erkent dus dat je niet alles met een tekst kunt doen, maar hij weigert te geloven dat de grenzen door de tekst zelf worden aangegeven. Het is een principieel verschil, waarbij Eco en Rorty het in concrete gevallen met elkaar eens zullen zijn. Maar terwijl Eco zou zeggen dat een tekst uit zichzelf een bepaalde interpretatie belemmert, zou Rorty zeggen dat de lezer van een bepaald gebruik van die tekst moet afzien, omdat het "betrekkelijk moeilijk' is om, bijvoorbeeld, in het leven van Emma Bovary de gevoelens terug te vinden die migranten ondergaan ten opzichte van de wereld die ze achterlaten en de wereld die ze bereiken willen. Dat ligt dan niet aan de "bedoeling' van Flauberts boek en dat ligt zeker niet aan het feit dat Flaubert nooit van de migranten-ervaring gehoord kon hebben - dat is immers niet de schuld van de lezer. De enige schuld die de lezer heeft is zijn eigen onvermogen om voldoende bewijsmateriaal aan te voeren, dat wil zeggen, zijn voorlopige gebrek aan motieven en argumenten om zijn stelling te staven.

Rest de vraag wie er autoritair is, Eco of Rorty. Hoe vrijer de lezer, des te meer mogelijkheden heeft de tekst, zou ik denken. Om op Carel Peeters' vergelijking terug te komen: Eco vraagt aan de hond wat hij zou willen. Een ommetje? Rorty maakt de halsband los en zegt: Ga jij eens lekker genieten van het leven, jongen.