HET MONETAIRE FANATISME VAN DE BUNDESBANK

Die Bundesbank. Geschäfte mit der Macht door David Marsh 445 blz., geïll., Bertelsmann Verlag 1992, f 55,20 ISBN 3 570 00370 1

In drie Europese oorlogen bracht Bismarck namens Pruisen niet alleen de Duitse eenwording tot stand op een manier die haar gevolgen niet zou missen. Nee, de overwinning op Frankrijk (1870/'71) zorgde er een paar jaar later ook nog voor dat de Duitse Reichsbank een mooi startkapitaal kreeg. Want de in maart 1875 opgerichte opvolgster van de Pruisische Bank kon meteen gebruik maken van een voor die dagen fantastisch bedrag aan Franse herstelbetalingen van 4,5 miljard mark, waarvoor in Londen goud kon worden gekocht.

Aldus financierde Frankrijk knarsetandend (à Paris, on n'aime pas le roi de Prusse) een groot deel van de dekking van de nieuwe mark. En tegelijkertijd het werk van de nieuwe centrale Duitse bank om in het laatste kwart van de vorige eeuw ook op monetair gebied een eenheid te maken uit de grote bonte lappendeken van pre-industriële staten en staatjes die tot 1866 lid van de Duitse Bond waren.

De Eerste Wereldoorlog was in zoverre óók een financieel en monetair pokerspel dat Fransen en Duitsers alletwee van plan waren om zware herstelbetalingen van de verliezer te eisen. Van de Duitse nederlaag, het verdrag van Versailles en de enorme schadevergoeding die daar werd opgelegd aan de republiek van Weimar, de opvolgster van het gesneefde Duitse keizerrijk, valt een lijn te trekken naar de grote Duitse werkloosheids- en inflatietrauma's die in jaren twintig ontstonden. En naar een situatie die niet alleen maar uiteindelijk zeker mede mogelijk maakte dat Adolf Hitler zestig jaar geleden met succes naar de macht kon grijpen. Ook een revolutionaire monetarist trouwens, deze Hitler, want nog vóór de grote Britse econoom Keynes legde hij de top van de Reichsbank al uit dat de munt beter door de nationale produktie(capaciteit) dan door goud gedekt is. Hjalmar Horace Greeley Schacht, chef van de centrale bank van 1923 tot 1930 en van 1933 tot 1939, had maar beter niet over het gevaar van inflatie kunnen klagen. Of zelfs, met zijn directie, uit vrees voor inflatie Hitler in vertrouwelijke memoranda om beperking van de wapenproduktie vragen. Want dat zag de Führer als obstructie van zijn oorlogsvoorbereiding. Had Schacht, karakterologisch, ideologisch en economisch een geniaal-gladde duizendpoot (tussen '33 en '37 ook minister van economische zaken), niet Hitlers persoon al de beste garantie tegen inflatie genoemd? Wéér zo'n bezorgd memorandum kostte Schacht en de meeste van zijn directeuren dus hun baan (in '39). Wat hun overigens, al waren zij uiteraard NSDAP'ers of - als Schacht - zeer enthousiaste meelopers, na de oorlog niet slecht uitkwam.

JALOERSMAKEND

De Tweede Wereldoorlog ging immers snel en bijna naadloos over in de Koude Oorlog. Wat betekende dat Schacht c.s. weliswaar niet als verzetshelden konden poseren, al probeerden zij dat wel, maar ook dat van de oorspronkelijk strenge (vooral Amerikaanse) plannen met hen weinig overbleef. Zo kon Wilhelm Vocke, NSDAP'er en Reichsbank-directeur (1919-1939), in 1948 topman worden (en tot 1957 blijven) van de "Bank deutscher Länder', de nog voorlopige Westduitse opvolgster van de Reichsbank. Zo ook kon Vocke's vroegere Reichsbank-collega en partijgenoot Karl Blessing in 1958 (tot 1969) chef van de Bundesbank worden, de nieuwe centrale bank van het land van het inmiddels imponerende èn jaloersmakende Wirtschafswunder.

Ja, zoals Vocke het vertrouwen kreeg van kanselier Konrad Adenauer, zo kreeg Blessing het van de kanseliers Ludwig Erhard (CDU, 1963-'66) en Kurt-Georg Kiesinger (CDU, '66-'69), ook een gewezen NSDAP'er trouwens. Meer nog: als eerste man van de Bundesbank, de nu van de politiek onafhankelijk gemaakte bewaakster van de stabiliteit van de D-mark, speelde Blessing (de Britten spraken wel van mixed Blessing, de Amerikanen van blessing Blessing) ook een belangrijke rol bij de val van Erhard en Kiesinger.

David Marsh, tot '92 jarenlang de uitstekend geïnformeerde correspondent in Bonn van de Financial Times, levert in zijn boek Die Bundesbank, Geschäfte mit der Macht (veelzeggende Britse titel: The Bank that rules Europe), een gedegen en ook nog goed geschreven studie van de Duitse centrale bank en haar historie sinds 1875. Afgezien van een enkele greep naar insulaire inkt, bijvoorbeeld als de D-mark wordt opgevoerd als wèl geslaagd economisch substituut voor de in hegemoniale dromen mislukte Wehrmacht, of als hij de D-markpositie in het tegenwoordige Europa vergelijkt met vroegere Reichsbank-plannen om Europese monetaire heerschappij te krijgen, blijft het boek behalve deskundig steeds fair.

Marsh, die met een Duitse getrouwd is (""de enige voor wie ik bang ben'), heeft met dit boek meer geluk dan met zijn vorige: The New Germany at the Crossroads ('89). Dat thematisch breder opgezette werk kwam namelijk net uit toen de omwenteling in de DDR op gang kwam. Like a kiss off center, als het ware. Zijn Bundesbank-studie valt heel mooi, een jaar na de Maastrichtse EG-verdragen en bovendien in een tijdsbestek waarin de stugge Frankfurtse bewakers van de D-mark zich wegens hun rentepolitiek over een grote internationale, veelal kritische, belangstelling mogen verheugen.

DE DUURDERE MERCEDES

In de vele vroegere Reichsbank-topmensen die na de oorlog in de leiding van de Bundesbank kwamen (8 gewezen NSDAP'ers op een directie van 20 man in 1968 bijvoorbeeld) ziet Marsh evenzeer een voorbeeld van continuïteit als in hun onverminderd fanatieke strijd tegen alles wat op inflatie lijkt. Het sub-hoofdstukje "Eine Bank mit nationalsozialistischem Charakter', dat reikt tot de komst van de zeer zelfbewuste SPD'er Karl Klasen als Bundesbank-chef (in '69), is tegelijkertijd zeer Brits van toon, zeer waar en zeer pijnlijk. Misschien had dat sub-hoofdstukje ook wel alleen door een niet-Duitse Europeaan zo geschreven kunnen worden.

Hoe dat zij, het moet voor Duitse lezers pijnlijk zijn dat de tot nu toe enige grotere studie over de Bundesbank, haar "binnenaanzicht' en haar welhaast mystieke rol en betekenis door een Brit is geschreven. Een Brit bovendien die zijn jegens autoriteiten "te volgzame' Duitse collega's ook nog even verwijt dat zij zelden verder willen krabben dan aan de buitenkant van hun centrale bank.

Dat (nog) machtige monetaire centrum van Europa zetelt in dertien comfortabele maar betrekkelijk bescheiden etages aan de rand van Frankfurt, op een plaats die komisch genoeg ooit "Diebesgrund' heette. Eens per twee weken (donderdagen) krijgt de hoofdparkeerplaats er iets van een demonstratieruimte voor de (nog) duurdere Mercedes. De internationale beurs-tickers staan dan op scherp. Dan is immers - onder leiding van president Helmut Schlesinger (67) - de sinds kort afgeslankte "Zentralbankrat' bijeen, die nu bestaat uit de zeven directieleden van de Bundesbank en negen chefs van deelstaatbanken. Deze laatsten worden benoemd volgens de regionale politieke krachtsverhoudingen. Daardoor komen expertise, de federale opzet van de Bondsrepubliek èn uiteenlopende regionale (en politieke) belangen samen in dit hoogste monetaire orgaan. Doordat de Zentralbankrat onhanteerbaar groot dreigde te worden na de Duitse eenwording, die het aantal deelstaten van elf op zestien bracht, is het oude uitgangspunt dat elk "Land' een eigen regionale bank alsook een eigen zetel in Frankfurt was na twee jaar strijd ten slotte verlaten.

SYMBOOL VAN SUCCES

Aan de onafhankelijke Bundesbank wordt, soms met meer, soms met minder recht, zeer veel macht toegedacht, al heeft zij als instrumentarium niet zoveel meer dan de renteschroef en de kredietkraan naar de handelsbanken. Zij moet het dan ook eigenlijk vooral hebben van haar faam als bewaakster van het kostelijkste goed dat het land kent: de D-mark, de ankermunt in het Europees Monetair Systeem (EMS), symbool van succes, discipline en psychologische en materiële zekerheid voor tientallen miljoenen Duitsers. Marsh maakt de unieke betekenis die de D-mark voor Duitsers heeft zeer duidelijk. Dat doet hij ook bij de beschrijving van het politiek riskante offer dat de Europeaan Helmut Kohl eind '91 bracht toen hij, mèt de Maastrichtse verdragen, instemde met het opgaan van de D-mark in één Europese munt, eind deze eeuw.

De president van de Bundesbank is het uithangbord. Enige spanning met de regering in Bonn is er steeds, dat mag en moet zelfs. Maar als het te gek wordt, zoals Schlesingers joyeuze voorganger Karl Otto Pöhl het ervaarde rondom de Duitse eenwording en kanselier Kohls investeringen in de Europese integratie, stapt de bankpresident (voortijdig) op. Al is hij dan nog wel, zoals Marsh de barre geschiedenis van dit geschil documenteert, verantwoordelijk genoeg om eerst nog een tijdje aan te blijven en ten slotte "persoonlijke' redenen als motief voor zijn vertrek te noemen. Hoewel het in de eerste februaridagen van 1990 in feite ging om een groot conflict tussen wat Pöhl economisch onmogelijk en ongewenst achtte en Kohl als politicus meende te moeten doen: de Duitse monetaire eenheid per 1 juli 1990 afkondigen, vooruitlopend op de staatkundige eenheid drie maanden later.

Hun conflict en hun ernstige communicatiestoornissen deden zich voor terwijl de DDR-bevolking dagelijks met duizenden tegelijk naar West-Duitsland kwam en Michail Gorbatsjov, schaker in tijdnood, in Moskou de sleutels voor de Duitse eenwording al klaarlegde. Kohl heeft zijn politieke gelijk, en de electorale triomfen die de paritair aangeboden D-mark hem in 1990 bracht, allang binnen. Maar Pöhl zijn economisch-monetaire gelijk ook, nu die veel te harde D-mark de Oostduitse industrie heeft gesloopt en de Bundesbank de nog jaren enorme eenwordingskosten via een hoge rente aan heel Europa doorgeeft.

TWEE SOORTEN GELIJK

Marsh' grotere sympathie voor Pöhl wordt duidelijk, maar dat belet hem niet om een tragische Duitse geschiedenis van twee botsende soorten gelijk nauwgezet te beschrijven. Hij is ook zo eerlijk te veronderstellen dat de bewonderde ex-kanselier Schmidt weliswaar vermoedelijk economisch voorzichtiger zou zijn geweest, maar daardoor dan ook de Duitse eenwording niet tijdig zou hebben kunnen realiseren. Daarmee is hij royaler dan Schmidt zelf, die zomer 1990 oordeelde dat Kohl in het eenwordingsproces bijna niets verkeerd had gedaan, maar later schreef dat hij niets goed had gedaan.

Al heeft de centrale bank eergisteren dan met een renteverlaginkje (""géén principiële koerswijziging', zei president Schlesinger bezwerend) een blijk van goede wil jegens het buitenland gegeven, doorgaans houdt zij de poot onder politieke druk stijf. Namelijk met een hoge rente als middel om de inflatie te bestrijden, de D-mark in het EMS stabiel te houden en verkeerd gedrag van overheid (die te weinig matigt) en sociale partners (idem) te corrigeren. Naarmate de politieke druk op de Bundesbank toeneemt, wordt als vanzelf ook haar verzet heviger. De kanseliers Adenauer, Erhard, Kiesinger, Brandt, Schmidt (die ooit boos dreigde de onafhankelijkheid van de bank desnoods te zullen aanpakken) en Kohl hebben dat stuk voor stuk meegemaakt.

Marsh heeft vele getuigen gesproken, en geeft een keur van voorbeelden, zoals hij ook de voor hun aanzien gevaarlijke nederlagen en nederlaagjes schetst die de bankpresidenten de afgelopen veertig jaar soms binnen de Zentralbank leden. Bijvoorbeeld die van Schlesinger en zijn deputy (en beoogd opvolger) Tietmeyer in december 1991, toen zij, een week na Maastricht, werden overstemd en een grotere renteverhoging (tot 8 procent) als Bundesbank-reactie bekend moesten maken dan zij gewenst of verstandig vonden. Opvallend is ook, als praktisch algemeen kenmerk, dat de aanvankelijk goede verstandhouding tussen kanseliers en bankpresidenten na verloop van tijd altijd verslechtert.

VOORWAARDEN

Komt de Europese monetaire unie, de ene Europese munt er, straks, aan het einde van dit decennium? De Bundesbank wil er volgens Marsh eigenlijk niet aan. Maar zij werd voorlopig geklopt toen juist de Latijns-verdachte president Mitterrand en de Italiaanse premier Andreotti op de avond vóór de Maastrichtse top besloten om de strenge EMU-voorwaarden (inflatiepercentage, nationale schuld, begrotingstekort) die zij had gesteld eenvoudig over te nemen. Kohls bereidheid om de Europese angst voor het vergrote Duitsland weg te nemen door de D-mark als integratie-offer te bieden kon zo samenvallen met de wens van zijn buren, in Parijs en elders, om de Duitse dominantie (die van de Bundesbank en de D-mark) op monetair gebied onder controle te brengen.

Maar Marsh ziet de strijd als nog niet beslecht. Als mogelijkheden voorziet hij: 1) als het Bonn en Frankfurt lukt om de Duitse economie binnen een paar jaar weer op het goede spoor te krijgen, de Duitse kiezers nóg massaler tegen afschaffing van de D-mark zullen raken; dan wel 2) Duitsland door de eenwordingskosten (10.000 mark per hoofd en per jaar aan transfers voor 16 miljoen Oostduitsers) nog vele jaren blijft kwakkelen en de effecten dáárvan ervoor zullen zorgen dat veel Europese landen in '97 niet aan afgesproken EMU-toetredingsnormen zullen voldoen; of 3) de Duitse economische neergang wordt zó ernstig dat de D-mark als Europese anker-munt ongeschikt raakt en de Bondsrepubliek in '97 niet aan de EMU-voorwaarden voldoet. Marsh acht scenario-2 het waarschijnlijkst.

Spannende veronderstelling. Maar zou het echt? Zou de Bundesbank werkelijk hopen dat de Duitse integratie in Europa (en daarmee ruim 40 jaar na-oorlogse politiek) stukloopt, desnoods tegen de prijs van een economische en monetaire Verelendung, opdat zij haar onafhankelijke beheer over de D-mark niet aan een Europese centrale bank hoeft af te staan? Met het risico dat Duitsland alsnog stuurloos tussen Oost- en West-Europa raakt, namelijk als het omineuze loose cannon on deck? In dat geval zou het écht niet verkeerd zijn als Kohl of zijn opvolger nieuwe grenzen zou trekken rond de veelgeprezen onafhankelijkheid van de Frankfurtse beheerders van de belangrijkste munt van het belangrijkste land in Europa.