HET FNUIKEND VERLANGEN NAAR HET IDEALE GEZIN

The Way We Never Were. American Families and the Nostalgia Trap door Stephanie Coontz 391 blz., Basic Books 1992, f 59,95 ISBN 0 465 00135 1

Vijftien jaar geleden schreef de Amerikaanse historicus en cultuurcriticus Christopher Lasch zijn bekende apologie voor het gezin, Haven in a Heartless World. Hij verdedigde toen de eigen haard tegen de kleffe opdringerigheid van het "open huwelijk', de eigentijdse "do your own thing'-benadering van kinderen, de psychotherapeuten met hun dure betweterij, en de reclame met haar voorgeperste hedonistische levensstijlen.

Lasch keerde zich, kortom, tegen het moderne leven. Hij had er toen al een hard hoofd in of het gezin te redden was: ""De ontwikkelingen die het nou juist nodig hebben gemaakt een privé-bestaan op te bouwen, vooral in gezinsverband, bij wijze van vrijplaats ter bescherming tegen de wrede wereld van politiek en arbeid, zijn die vrijplaats binnengedrongen en hebben hem aan de buitenwereld uitgeleverd.'

Het is ongetwijfeld waar dat het gezin als traditionele kern van de westerse samenleving meer dan ooit onder druk staat. Dat geldt zeker voor de Verenigde Staten, waar het aantal gezinnen dat niet meer op de klassieke wijze met twee ouders is toegerust nog sterker toeneemt dan in Europa. Maar bij nader inzien, zo betoogt historica Stephanie Coontz in haar The Way We Never Were, blijken niet zozeer moderne zachte-sector filosofieën daarvoor verantwoordelijk, als wel de verwaarlozing door de politiek, een schrijnend gebrek aan arbeid en een groeiende proletarisering van de onderklasse. Het is geen toeval dat vooral tijdens het twaalfjarig bewind van Reagan en Bush talloze gezinnen aan lager wal zijn geraakt en uiteenvielen.

Die desintegratie van het kern-gezin is volgens velen, en niet alleen sombere piekeraars als Christopher Lasch, een rechtstreekse bedreiging van de maatschappelijke stabiliteit. Een eerherstel van de familie en van family-values wordt door hen aangeprezen als serum tegen de kwalen van onze tijd. Fout, schrijft Coontz, het serum is juist de kwaal.

Haar boek heet niet voor niets "Hoe wij nimmer waren'. Het bestrijdt de neo-conservatieve opvatting van het gezin als verloren paradijs. Coontz betoogt dat het huis-, tuin- en keukengeluk dat het ontspoorde volk nu vermanend wordt voorgehouden een valse herinnering is, een cocktail van een paar goede tradities van het Victoriaanse gezin en de huiselijkheid van de jaren vijftig.

REDDINGSVEST

The Way We Never Were is een poging de vermeende kwaliteiten van beide ""gouden tijdperken' te relativeren en de rol van het gezin als reddingsvest van de samenleving tegen het licht te houden. Dat kost Coontz voor de jaren vijftig wel enige moeite, want de voordelen van toen boven thans lijken evident: de echtscheidingscijfers beliepen de helft van het huidige aantal, het moederschap stond in hoog aanzien, er was werk in overvloed, de eigen woningen schoten als paddestoelen uit de grond, de steden boden bij lange niet het ellendige aanzien van dakloosheid en verslaving, het aantal ongehuwde tienermoeders bedroeg een derde van dat in de jaren tachtig. En zelfs al was de prijs voor al die vreedzaamheid ""booze, bowling, bridge and boredom', zoals een vrouw haar leven van toen samenvatte, dan lijkt dat geen al te hoge prijs als je de misdaadstatistieken van de grotestadsjeugd van toen en nu vergelijkt.

Coontz' lezing van de geschiedenis wil echter de idee ontzenuwen dat de maatschappelijke rust van toen het produkt was van een evenwichtig gezinsleven. Zij verklaart de burgermansidylle grotendeels aan de hand van één van de kenmerkende omstandigheden in die dagen, namelijk de overvloed aan werk. De uitzonderlijk gunstige conjuncturele situatie van de jaren na de Tweede Wereldoorlog schiep de voorwaarde voor het bloeiende gezinsleven, en net zo min als er veel voorlopers van die situatie in de geschiedenis bestaan, is er veel kans op herhaling van die omstandigheden.

In haar boek onderstreept Coontz de schaduwzijden van die dagen, zoals de onderdrukking van het politiek initiatief. In de jaren zestig regenereerden de politieke betrokkenheid en gemeenschapszin, eigenschappen van de Amerikaanse traditie die volgens haar een veel langer verleden hebben dan het kerngezin. De redenering dat gezinsfatsoen, zoals dat in de jaren vijftig gold, ook burgerfatsoen betekent, snijdt volgens Coontz dan ook geen hout. Zij wijst erop dat bijvoorbeeld in de achttiende eeuw een veel grotere interesse, van zowel mannen als vrouwen, in wereldse aangelegenheden bestond dan in de latere perioden van het voorbeeldige gezin, die vaak gepaard gingen met gedwongen sociaal-culturele eenvormigheid.

HYPOCRISIE

Dit is niet de eerste keer dat iemand het paradoxale samengaan van huiskamerromantiek met hardvochtig gedrag in het openbaar opmerkt, maar Coontz' weergave van de hypocrisie van bijvoorbeeld de jaren vijftig is scherp en overtuigend. Dat geldt zeker voor de veelgeroemde zelfstandigheid van het oude Amerikaanse gezin die zij op de korrel neemt. Het blijkt dat gedurende de gehele geschiedenis van de Verenigde Staten de federale en lokale overheden, eeuwige mikpunten van republikeinse kritiek, families zijn bijgesprongen met goedkope landtoewijzingen, subsidies, veteranenbeurzen en woningkredieten. Afgezien van de officiële overheidshulp aan gezinnen bestonden er vele vormen van particulier initiatief, zoals van vrouwenvereni-gingen, vakbroederschappen en kerkenwerk die nooddruftige leden van een gemeenschap door moeilijke tijden heen hielpen.

Het probleem is volgens Coontz dat deze in de praktijk functionerende intermediaire netwerken ernstig aan kracht hebben ingeboet door de ""sentimentalisering van het gezin'. De daarbij behorende opvattingen dat de Amerikaanse kostwinner als een pionier geheel zelfstandig in het leven staat ("'a true American needs nothing from nobody'), dat het feminisme de vrouwen op het verkeerde pad heeft gebracht, dat werkende ouders de schuld zijn van de ontspoorde jeugd, en dat de getto's in de grote steden resultaat zijn van het instabiele zwarte gezin, worden stuk voor stuk door haar aan mootjes gehakt als onhoudbare mythen.

Anders dan in de impressionistische en retorische betogen van neoconservatieven als Christopher Lasch en Patrick Moynihan, maar ook van een feministe als Lilian Rubin, trakteert Coontz haar lezers op salvo's cijfers en statistieken ter ondersteuning van haar argumentatie. Die cijfers zijn vaak indrukwekkend, soms raadselachtig (""135.000 kinderen gaan naar school met een vuurwapen'), en een enkele keer lachwekkend (""25 procent van de ondervraagden in een recent onderzoek naar het Amerikaanse normbesef zei dat zij voor 10 miljoen dollar hun gezin in de steek zouden laten').

Al met al krijgt de lezer van dit hartstochtelijk pleidooi wel degelijk de indruk dat Coontz een overtuigend tegenwicht biedt tegen al het geweeklaag over de teloorgang van het gezin als bron van alle kwaad. Maar het was de overzichtelijkheid van haar boek ten goede gekomen als zij per hoofdstuk een aantal duidelijke grafieken had geplaatst van belangrijke ontwikkelingen in de Amerikaanse samenleving, zoals kredietverloop, criminaliteit en echtscheidingen. Daardoor zouden de verschillende episoden van het gezinsleven die ze onderscheidt beter vergelijkbaar zijn.

PRIVÉ-GEDRAG

Dit doet weinig af aan de kern van Coontz' betoog dat juist het optreden door overheid in de vorm van uitkeringen, maatschappelijk werk, versterking van de gezondheidszorg, maar zeker ook in delen van de economie die het privé-gedrag betreffen, voorwaarden zijn voor het herstel van het gezinsleven. De samenleving heeft volgens haar geen nostalgisch verlangen naar een geïdealiseerd verleden nodig, maar concrete maatregelen, zoals op het gebied van woningbouw en planologie.

Veel van dit boek heeft betrekking op typisch Amerikaanse toestanden en ontwikkelingen. Men moet zich de woekering van suburbia door het Amerikaanse landschap voorstellen, duizenden eenvormige Beverly Hills 90120-wijken omringd door betonwoestijnen vol gebroken, arme gezinnen om de soms wat rechtzinnige en pastorale toon van Coontz te begrijpen. Amerikaans is wellicht ook haar oproep tot nieuwe gemeenschapszin: ""In de traditie van Jefferson werd publieke betrokkenheid als het belangrijkste teken van persoonlijk karakter beschouwd; eer en deugd waren politieke woorden, en geen seksuele.'

Voor de oude wereld is het vooral van belang kennis te nemen van Coontz' interessante argumentatie, dat juist de ideologische verheerlijking van het traditionele gezin heeft meegeholpen dat gezin te ondermijnen door het in de meedogenloze praktijk van het moderne leven aan zijn lot over te laten.