EUTHANASIE

Een milde dood. Praktische handleiding bij vrijwillige euthanasie en weigering van levensverlengend handelen door mr. D. G. Jansen 80 blz., Balans 1992, f 24,50 ISBN 90 5018 187 2

Vorig jaar zomer publiceerde de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie (NVVE) haar nieuwe euthanasieverklaring. De auteur van Een milde dood was mede-opsteller van die tekst. Zijn boekje bevat de NVVE-euthanasieverklaring en een bijbehorende uitleg. Het was netjes geweest dat voorop het werkje te vermelden.

Nu dekt de lange ondertitel de lading niet. Deze "praktische handleiding bij vrijwillige euthanasie en weigering van levensverlengend handelen' behandelt de feitelijke euthanasie slechts kort en dan alleen nog de zeldzame vorm van een door de arts geassisteerde zelfdoding. Ongeveer 400 maal per jaar wordt die variant uitgevoerd. Naar schatting 2300 keer per jaar geeft de arts de dodelijke middelen, maar laat uitvoering over aan de patiënt of zijn familie. Hoe die zich daarop moeten voorbereiden, beschrijft Jansen niet.

Zelfdoding onder medische begeleiding dient volgens Jansen 's avonds te gebeuren. Na anti-braakmiddelen overdag, en lichte maaltijden, komt het einde met het roeren van de "klaargemaakte middelen' door een kopje vla met sinaasappelessence: ""Vla en essence zijn noodzakelijk om de middelen in te nemen, want de klaargemaakte middelen hebben vaak een bittere smaak. [...] Het gehele kopje moet men rechtopzittend snel leeg eten, want al van een gedeelte kan men in 5 à 7 minuten in slaap raken.'

Zo directief als Jansen uw zelfgekozen laatste minuten voorschrijft, is ook zijn handleiding voor de schriftelijke en mondelinge voorbereiding van euthanasie. De tekst wemelt van "moeten' en "zullen' en beschrijft dikwijls ideale situaties, bijvoorbeeld over rustig sterven thuis en weloverwogen interacties tussen specialist en huisarts, terwijl de werkelijkheid anders is.

Vanuit die "zou moeten' visie zadelt Jansen zijn lezers en hun artsen met problemen op waarvoor hij geen oplossing aandraagt.

De euthanasieverklaring van de NVVE biedt bijvoorbeeld ruimte voor eigen aanvullingen. De NVVE doet daartoe enkele tekstsuggesties. In een daarvan roept de ondertekenaar euthanasiehulp van de arts in als ""ik op grond van mijn geestelijk en/of lichamelijke toestand in aanmerking zou komen voor opneming in een verpleeghuis'. In het artsenblad Medisch Contact hebben vier verpleeghuisgeneeskundigen eind vorig jaar woedend op deze tekst gereageerd. Niet alleen omdat ze zich in hun beroepseer aangetast voelen, maar ook omdat het de vraag is wat de rechter zal zeggen van de arts die een patiënt helpt bij zelfdoding omdat hij het verpleeghuis in moet. Het kan best zijn dat een patiënt er op zo'n moment zo ernstig aan toe is dat euthanasie niet wordt vervolgd, maar het motief om van vervolging af te zien werd tot nu toe geput uit de ziektetoestand en de gevolgde procedure, niet uit de woonsituatie.

In de voorbeeldbrief waarmee de euthanasiewens naar de huisdokter kan worden gestuurd, stelt Jansen voor te schrijven: ""Ik vraag uiteraard alleen (om toepassing van euthanasie) voor zover een arts dat met inachtneming van de uitleg die de rechtspraak aan de wet heeft gegeven, straffeloos mag doen.' Jansen wijst er niet op dat opname in een verpleeghuis geen in de rechtspraak geaccepteerde euthanasiegrond is. Een onverwacht onaangenaam gesprek tussen arts en patiënt over de opgestuurde euthanasieverklaring kan het gevolg zijn. Jansen raadt aan om een andere arts te nemen als die de euthanasieverklaring niet accepteert.

Voor de kritische lezer biedt het boekje desalniettemin goede voorbeeldteksten bij het opstellen van een eigen euthanasieverklaring. De teksten zijn ook bij de NVVE in Amsterdam verkrijgbaar en kunnen daar worden geregistreerd als de tekst niet afwijkt van de NVVE-lezing, maar voor wie over euthanasie wil nadenken zonder direct bij een club te willen horen, is de boekhandel een wat vrijblijvender opstapje.