Eendjes voeren

Er was eens een kenner van de Amsterdamse beurs en vooraanstaand econoom die we Karel den Hertog zullen noemen. Hij werkte op een economenkantoor, verscheen daar altijd stipt op tijd, half negen, in zijn onopvallend pak met onopvallende aktentas, deed zijn gezaghebbend werk, lunchte met vakgenoten of welingelichte beursmensen, pakte om vijf uur zijn spullen en fietste naar huis. Door deze combinatie van betrouwbaarheden en deskundigheden had hij zich in de stad een naam verworven. Hij werd gegroet, men nam zijn hoed voor hem af, men vond dat men had geboft als men thuis kon vertellen: ""Ik heb vandaag nog even met Den Hertog gesproken.''

Op een ochtend in de late herfst, het stormde kracht tien, was Den Hertog om vijf voor negen nog niet op kantoor. Tegenwind waarschijnlijk, of een lekke band. Half tien, geen Den Hertog. Hij zal toch niet ziek zijn? Nee, niet mogelijk want dan had zijn vrouw wel gebeld. De minuten verstreken, iedereen deed alsof hij aan het werk was maar allen waren met hun gedachten bij Den Hertog. Daar ging langzaam de deur open. Den Hertog, drijfnat, terwijl het niet regende. Hij zag er ontredderd uit. Collega's schoten toe, hielpen hem uit zijn loodzware tot de laatste vezel doordrenkte winterjas en leidden hem naar zijn stoel, er werd koffie gehaald, zijn tanden klapperden tegen het porselein. Er was geen woord uit te krijgen, men liet de portier een taxi roepen en belde mevouw Den Hertog om haar op de komst van haar man voor te bereiden. Men putte zich uit in vermoedens. Die dag werd er op kantoor niet meer gewerkt.

De volgende ochtend verscheen Den Hertog weer precies om half negen, kurkdroog, en deed alsof er niets was gebeurd. Niemand durfde iets te vragen. Na verloop van tijd begonnen geruchten de ronde te doen. Een van de economen kende iemand die Den Hertog wel eens dicht aan de waterkant had zien staan om de eendjes te voeren. Intussen had de gebeurtenis de last van de sensationele geheimzinnigheid verloren, het taboe was eraf, de waarheid kon aan het licht komen. Den Hertog had een zwak voor eenden. Iedere ochtend ging hij vroeg van huis, kocht in het geheim om de hoek een paar kadetjes en fietste naar een stil deel van de kade. Daar snaterde het welkom hem tegemoet. Terwijl hij op die stormachtige ochtend aan het voeren was, werd hij door een rukwind gegrepen en zo was hij tussen zijn vriendjes terecht gekomen. Hij had naar een lager deel van de kademuur moeten zwemmen om eruit te klauteren.

Vorige week ging het stukje op deze plaats over "klein vermaak': niets groots, meeslepends of extatisch maar datgene wat men zich voor zijn terloops plezier veroorlooft, tussen de bedrijven door. Klein vermaak ontstaat door een snelle uitbuiting van het toeval. Als voorbeeld gaf ik de reis in een paternosterlift, het hele traject van zolder tot kelder. Als je goed oplet zijn er tientallen kansen op klein vermaak. De enige voorwaarde is dat je er tijd voor moet hebben en dat is de pauze "tussen de bedrijven door', de tijdbuffer. Mensen die geen tijdbuffer hebben, leven een hermetisch geprofessionaliseerd leven zoals de kleine wetenschap het uitdrukt. Ook in hun vermaak zijn ze geprofessionaliseerd. En nu vermeldt de geschiedenis niet wat Karel den Hertog de hele dag verder uitvoerde maar het is wel duidelijk wat hij als zijn klein vermaak zag: het eenden voeren. Ik zie dat nog altijd als een respectabele manier om een buffer in de tijd tot exploitatie te brengen. Naar de maatstaven van de wereld die weet hoe het leven der volwassenen moet worden geleefd, hoort het eendjes voeren tot het kindervermaak. Een solide beursman, geverseerd econoom die stiekem kadetjes staat te verkruimelen moet naar deze maatstaven niet helemaal serieus worden genomen, al is het maar voor de fractie van een procent, maar dat is genoeg. Niet te tellen zijn de mensen die door zo'n fractie flink afbreuk aan hun carrière hebben gedaan. Dan kunnen we wel met Goethe aankomen - benijdenswaardig zijn de mensen die etwas vom Kinde gerettet haben - of de critici een citaat uit Huizinga's Homo ludens voorhouden, maar daaraan heeft de maatschappij geen boodschap. Karel den Hertog moest zich dan ook zijn tijdbuffer veroveren door wat vroeger op te staan en wat harder te fietsen. Hij had geprobeerd het toeval te reguleren. Een rukwind heeft hem onsterfelijk gemaakt, want dit stukje wordt met de rest van de krant in de archieven opgeborgen zodat nog tot ver in de volgende eeuw het nageslacht zich op de hoogte zal kunnen stellen van zijn lotgevallen: Karel die in het water waaide.

De tijdbuffer, was vorige week mijn stelling, wordt aangetast net als de ozonlaag, de smaak van het leidingwater, de bossen en de vogelstand. Hoe komt het dat de tijdbuffer het moet ontgelden? Ten eerste doordat het vermaak in al zijn geledingen, van groot tot klein, wordt geprofessionaliseerd, geharmoniseerd, gecollectiviseerd, gesjabloniseerd en geëgaliseerd, zoals we bijvoorbeeld in de reclamespots van de televisie goed kunnen zien. In het bijzonder het klein vermaak wordt daardoor aangetast omdat immers het eerste kenmerk van het klein vermaak zijn improvisatie is. En ten tweede wordt de tijdbuffer opgesoupeerd doordat er een nieuwe verweving van belangen is ontstaan die op haar beurt weer het aanzien geeft aan een niet aflatende werkverschaffing waarin steeds meer mensen elkaar met steeds minder bezig houden en daarbij de beschaving veranderen in een reusachtige windbuil.

Dit is het antwoord op de vraag die ik de vorige week stelde.