Dwerghoender-shows zijn taboe in Singer Museum na de verbouwing

LAREN, 6 FEBR. Het Singer Museum in Laren is een gebouw in depressie. Het zeil op de vloer oogt armetierig, het zaallicht komt door een vervuild daklicht naar binnen en de akelig grijs-beige tentoonstellingswanden lijken jarenlang te zijn bestookt door een leger bolknak-rokers. Zelfs de planten op de gang staan er verdrietig bij.

“Sommige architecten adviseerden ons dit pand maar tegen de grond te gooien en er een nieuw museum voor in de plaats te zetten”, zegt Jan Goedkoop, directeur van het Singer Museum. “Maar dat doen we niet. We zijn tezeer aan het gebouw gehecht en er ook nog tevreden over”. Om die reden is architect Hubert Jan Henket gevraagd het hoofd te breken over een ingrijpende renovatie, die volgend jaar zijn beslag krijgt.

Het Singer-complex, bestaande uit een concertzaal en museum, werd in 1956 opgericht door mevrouw Anna Singer-Brugh. Zij wilde in het museum de schilderijen onderbrengen die haar in 1943 overleden man William H. Singer had gemaakt, en de honderden werken van Larense en Franse schilders, die zij en haar man samen hadden verzameld. Een impressionistisch getinte collectie, die dankzij schenkingen, legaten en aankopen van de museumvrienden inmiddels zeshonderd doeken en enkele duizenden bladen telt.

Singer, nazaat van een Amerikaanse staalmagnaat, moet een sympathiek en menslievend man geweest zijn, een ietwat wereldvreemde miljonair-mecenas. In zijn villa "De Wilde Zwanen', gelegen vlak naast het museum, viel menigeen een uiterst vriendelijke ontvangst ten deel, die zelden tot een persoonlijker contact leidde, maar wél tot financiële ondersteuning. Uiteindelijk bleek niet Het Gooi maar Noorwegen de stilte en eenzaamheid te bieden waar het filantropische echtpaar zeer op gesteld was.

Veel schilders daarentegen bleven Het Gooi wel trouw. In Laren kon je op een gegeven moment over de schildersezels struikelen. Jozef Israels en Anton Mauve, de vroegkomers van vóór de eeuwwisseling, waren getroffen door de heidevelden en de pittoreske armoede van de plaatselijke boeren en wevers. Later volgden onder anderen Piet Mondriaan, Bart van der Lek, Leo Gestel, Lou Loeber en Jan Sluijters, die in tegenstelling tot impressionistisch werkende Larense schilders als voor een modernistische, expressionistische aanpak kozen. De vriendenvereniging van het museum probeert met name van die destijds in Laren werkzame kunstenaars stukken aan te kopen, zoals onlangs een van de zeldzame kubistische doeken van Jan Sluyters. Een in verticale grijzen opgebouwde compositie (1914) met een enkel kleuraccent, dat vanaf deze week op zaal hangt.

Ook op tentoonstellingen komen ze regelmatig aan bod. Zo is er nu een overzicht van Lou Loeber te zien. Maar als het aan mevrouw Singer had gelegen was haar museum een soort mausoleum geworden waarin het oeuvre van haar man en diens favoriete collega's hun laatste rustplaats hadden gevonden. Gelukkig zag men daar kort na de opening in 1956 al van af. Tot op de dag van vandaag biedt het Singer zeer uiteenlopende evenementen; van grafische overzichten en solo-tentoonstellingen van vroeg 20ste-eeuwse en eigentijdse kunstenaars tot dwerghoender-shows en veilingen.

Voor die dwerghoenders ziet de toekomst er somber uit. Na de verbouwing, die in het najaar van 1994 moet zijn voltooid, zal het Singer zich vooral als een volwaardig kunstmuseum willen presenteren. Architect Hubert Jan Henket, die het Van Beuningen-paviljoen van Museum Boymans-van Beuningen ontwierp en ook tekende voor de uitbreiding van het Teylers Museum, wil de museumingang verplaatst zien, zodat bezoekers straks bij binnenkomst regelrecht de tuincorridor in lopen. Op deze loodrechte as komen dan de drie grote museumzalen uit, die nu nog een gesloten karakter hebben. Ook vanuit de daarachter gelegen kleinere zalen zal uitzicht geboden worden op de bejaarde, maar oersterke lindebomen en op het aandoenlijke, door kleine pilasters gesteunde tuinhuisje. Verder voorziet de renovatie in prentenkabinetten en in het combineren van pijpenlade-achtige aanbouwsels tot één nieuwe expositiezaal.

Henket heeft de 2000 vierkante meters met minimale ingrepen gestroomlijnd. Het museum, dat vorig jaar zo'n 80.000 bezoekers trok, wordt aan de tuinzijde als het ware verder opengebroken. Ouderwetse lambrizeringen zullen verdwijnen en het is maar de vraag of er straks sporen te zien blijven van de vergulde namen van vrienden en weldoeners, die nu nog boven de zaalingangen prijken.

Voor de renovatie, die zo'n 6,5 miljoen gulden kost, druppelen al bijdragen binnen van het Prins Bernard Fonds, de Algemene Loterij Nederland, het ministerie van WVC en de gemeente Laren. Ook de provincie zegde steun toe en de vijftien hoofdsponsors van het museum zullen het evenmin laten afweten. Particuliere stichtingen uit de regio willen ook wél over de brug komen, mits de gemeente zijn exploitatie-subsidie voor ettelijke jaren toezegt. En ook dat is deze week gebeurd.

“U ziet wel, als het om privatiseren gaat, kan men bij ons terecht voor adviezen”, zegt Goedkoop, verwijzend naar de verzelfstandiging van zowel de Nederlandse rijksmusea als wellicht binnen afzienbare tijd ook de gemeentelijke, grootstedelijke musea. Die musea zullen meer dan voorheen op jacht moeten gaan naar subsidiënten. “Laren is een gemeente van niet meer dan 12.000 inwoners, een dorp dus”, zegt Goedkoop “en toch gaat hier jaarlijks in het Singer-complex zo'n 3,5 miljoen om. Nu Hilversum niets meer aan kunst doet, zijn wij nog de enige in de regio. Deze renovatie is gewoonweg een "must'. Niets doen, is sluiten op termijn”. Geen sluiting dus, maar een heropening, die te zijner tijd onder meer gevierd wordt met een overzicht van beeldhouwer en schilder Auguste Rodin.