Definiëring fascisme is van ondergeschikt belang

Tien dagen nadat ik hem in een ingezonden brief had gekritiseerd op het punt van zijn argumentatie over de verbanden tussen democratie en fascisme alsmede de definitie hiervan, heeft columnist J.L. Heldring mij de eer bewezen te reageren in een hernieuwd betoog over deze problematiek ("Geen fascisme zonder demos' in NRC Handelsblad van 29 januari). Dit stuk had in elk geval de betekenis dat het mij weer attendeerde op de ongelijke positie die men als schrijver van een ingezonden brief inneemt, al was het maar wegens de vereiste beperking die dit genre met zich meebrengt. En wie weet nog, wat ik tien dagen geleden schreef?

Waar Heldring mij partieel en vermanend citeert, doet hij dit niet correct, zoals na een citaat van Mosse, die hier als kroongetuige fungeert voor de stelling dat het Franco van Spanje geenszins fascistisch was maar een militaire dictatuur waarin de fascisten onderdrukt werden ("De Spaanse fascisten waren leden van de Falange. Franco onderdrukte hen'): “Dit mag dr. Janssen zich aantrekken, die het "een aantoonbaar onhoudbare bewering' acht dat het regime van Franco niet fascistisch was, zonder dit overigens aan te tonen”.

Inderdaad, daartoe ontbrak mij de ruimte en gelegenheid van een eigen column en bovendien keerde ik me hier tegen de bewering dat de dictatuur van Franco "niet op massabewegingen, maar bijna uitsluitend op het leger' steunde - en dat is iets anders.

Even verderop wordt echter P.H.H. Vries geciteerd over de uiterst geringe aanhang van de Falange, die hier dus weer wèl als "fascistische' partij wordt aangevoerd - maar eerlijk gezegd word ik wat moe en moedeloos van dit theoretische palingtrekken. Voor het spraakgebruik en het politieke bewustzijn van miljoenen mensen tussen ongeveer 1920 en 1993 (inclusief, inderdaad, talloze geschiedenisleraren) was het ook van geen enkel belang, hoe elitair of democratisch het fascisme - in welke variant ook - eigenlijk was of zou kunnen zijn. Getuige bij voorbeeld dit citaat uit het Literaire Supplement van deze zelfde avond (29 januari): “Zijn vader heeft aan het fascisme een eind willen maken maar is in de oorlog omgekomen” (R. Mulder in "Rolgordijnen voor de ogen').

Voor een opsomming van alle groeperingen die zich in 1936 achter Franco hebben geschaard, mag ik verwijzen naar het nog altijd waardevolle boek van dr. J. Brouwer: De Spaansche Burgeroorlog (1936); als zevende wordt hier als "de fascistische partij' de "Falange española' van Primo de Rivera Jr. vermeld, die enige weken na de opstand al meer dan tweehonderdduizend leden had (blz. 71). Wat mij inderdaad aan een massa doet denken - nog afgezien van alle andere door Brouwer vermelde "partijen' - en dat is dan weer in overeenstemming met een door Heldring geconstateerde "democratische' achtergrond.

Van veel groter belang dan alle definitie-problematiek lijkt mij de vraag, welke kansen een hernieuwd fascisme in Duitsland en Italië als de "klassieke' landen hiervan nog zou kunnen maken. In het geval van het eerste land (aangenomen dat dit fascistisch mocht heten, ook hierover was verwarring) lijkt deze mogelijkheid mij om vele redenen gering; waaronder de onbereidheid van een tegenwoordige maatschappelijke en intellectuele bovenlaag om het vigerende stelsel op te geven, en dat was, zoals ik al aanduidde (en zoals overbekend) na de Eerste Wereldoorlog heel anders. Op de verwarde Italiaanse situatie kan ik niet ingaan, een nieuwe Mussolini heeft zich hier in elk geval nog niet gepresenteerd.

Wat ik als belangrijkste argument tegen het betoog van Heldring aanvoerde, te weten de geringe vatbaarheid van oudere democratieën voor het fascisme, liet hij in zijn repliek eveneens buiten beschouwing. Gezien de vruchteloosheid van een discussie waarin de tegenpartij niet op argumenten ingaat, mag ik het hierbij laten.