DE ONGEMAKKEN VAN HEILIGHEID

Prophets in their Own Country. Living Saints and the Making of Sainthood in the Later Middle Ages door Aviad M. Kleinberg 189 blz., University of Chicago Press 1992, f 63,- ISBN 0 226 43971 2

De grote opbloei van de middeleeuwse samenleving en cultuur vanaf de elfde eeuw uitte zich ook in de opkomst van honderden nieuwe heiligencultussen. Aan het eind van de dertiende eeuw somde Salimbene de Adam de redenen op die in zijn ogen ten grondslag lagen aan tal van deze nieuwe vereringen: ""de zieken hunkeren naar gezondheid, de onrustigen willen nieuwe dingen, de gewone geestelijken zijn afgunstig op de nieuwe monniksorden, en de bisschoppen en kanunniken worden bewogen door hebzucht.''

Dat zijn zo ongeveer de oorzaken die ook in een modern onderzoek een rol zouden spelen. Salimbene is tegelijk een voorbeeld dat middeleeuwers zeer wel in staat waren sceptisch te staan tegenover personen of zaken die zich als godsdienstig voordeden.

Argwaan was zelfs de kern van de procedure die toen door de pauselijke bureaucratie ontwikkeld werd voor kanonisatie. De procedure werd gestandaardiseerd in de eerste helft van de dertiende eeuw. Ze voorzag in plaatselijk onderzoek, het aanleggen van grote dossiers, en het meten van de kandidaten aan vaste criteria. De procedure werd streng uitgevoerd. Van de 71 processen voor kanonisatie die tussen 1198 en 1434 werden geopend, eindigden er slechts 35 succesvol.

Aviad Kleinberg heeft in Prophets in their Own Country zijn aandacht juist gericht op het begin, niet op het hoogtepunt, en al met al tamelijk zeldzame aardse afsluiting van de carrière van een heilige. Een proces voor kanonisatie kon pas worden geopend wanneer, na de dood van een heilige, ter plaatse een cultus was ontstaan. De wisselwerking tussen de nog levende heilige en zijn directe omgeving vormt het thema van Kleinbergs boek. Hij onderzoekt vooral hoe de aspirant-heiligen nog tijdens hun leven door hun naasten als heilige erkend werden. Dat was niet eenvoudig. De titel van het boek is ontleend aan de woorden die Jezus sprak, toen hij merkte dat hij in Nazareth geen wonderen kon doen: ""Een profeet is alleen in zijn vaderstad ongeëerd''.

Een probleem was dat een aspirant-heilige aan de ene kant ervoor moest zorgen dat zijn of haar bijzondere verhouding met God, of die nu bleek uit visioenen, openbaringen of extasen, bekend werd, maar aan de andere kant ook nederig moest zijn. Thomas van Cantimpré prees Margareta van Ieperen omdat ze de inhoud van haar openbaringen alleen aan haar biechtvader bekend had gemaakt door haar te contrasteren met andere religieuze vrouwen, die net als kippen ""veel lawaai maken wanneer ze een ei leggen''.

KRITIEK EN SCEPSIS

Geregeld droegen heiligen er zorg voor dat gebeurtenissen in hun leven werden opgetekend voor gebruik in een Leven na hun dood. Toen de vertrouwelinge van de heilige Benvenuta Bojani per ongeluk beloofde dat ze de wonderbaarlijke visioenen die de heilige haar had toevertrouwd nooit openbaar zou maken, legde Benvenuta haar haastig uit dat het alleen maar de bedoeling was het geheim gedurende haar leven te bewaren.

Kritiek en scepsis troffen vooral de nieuwe heiligen. Niemand nam aanstoot aan het oppoetsen van de legenden rond een beroemde, al lang erkende heilige. Het fraaier maken van een verhaal was eerder een teken van eerbied dan een vervalsing. Ook de nieuwe procedure voor kanonisatie ontzag de bestaande gevallen. Al eeuwenlang vereerde heiligen, ook al bevatten hun Levens details die voor een dertiende-eeuwse kerkjurist onaanvaardbaar of onwaarschijnlijk waren, bleven voor kritiek gespaard.

De Levens van de nieuwe heiligen vertonen dan ook veel meer stijlmiddelen die op overtuiging gericht zijn dan in oudere heiligenlevens gebruikelijk was. Er worden zorgvuldig mensen met name genoemd, die op een bepaald tijdstip getuige waren van een bijzondere gebeurtenis. Kleinberg maakt verstandige opmerkingen over de problemen wat hier nu waar en onwaar is, en in welke mate hier werd gelogen of gefantaseerd. Hij neemt daarbij een onmodieus positivistisch standpunt in. Hij blijft vrij hardnekkig vragen naar de waarheid van de getuigenverslagen, en de manier waarop ze op schrift zijn gesteld.

Voor deze bronnentechnische analyse maakt Kleinberg veel gebruik van de uitgebreide stukken betreffende Peter van Dacia en Christina van Stommeln. Christina werd rond 1242 geboren in Stommeln, een dorpje bij Keulen. Toen ze dertien was, liep ze weg en werd lid van een gemeenschap van Begijnen in Keulen. Daar onderging ze verschillende aanvallen door duivels en genoot ze hemelse vertroostingen, die door de Begijnen als ziekteverschijnselen beschouwd werden. Hun vijandschap leidde na een paar jaar tot haar terugkeer naar Stommeln. Daar werd ze verzorgd door de priester, nog steeds geplaagd door aanvallen van duivels.

SPECIALITEIT

Peter van Dacia was een iets oudere Zweedse Dominicaan, die door zijn orde voor studie naar hun studium generale in Keulen was gestuurd. Hij ontmoette Christina in 1267. Peter maakte carrière binnen de Zweedse tak van de Dominicanenorde, onderhield per brief contact met Christina, en bezocht haar nog tweemaal. Hij werd haar belangrijkste publiek. In een zekere zin trad ze alleen nog voor hem op. Kort nadat ze van zijn dood gehoord had, in 1289, hielden al haar visioenen op. Ze leefde nog vijfentwintig jaar zonder door duivels of hemelse vertroostingen geplaagd te worden.

Christina's specialiteit was het verdragen van aanvallen van demonen. Ze had wat men nu waarschijnlijk epileptische aanvallen zou noemen en vertoonde dwangmatig gedrag om zichzelf te verwonden. Haar visioenen en ervaringen waren vol pijniging, verwerping en bezoedeling. Peter beschrijft hoe demonen haar herhaaldelijk met drek en stront besmeerden. Uit zijn beschrijvingen wordt duidelijk dat hij in haar lijden een directe inbreuk van het goddelijke in de dagelijkse wereld zag.

Zelf vond Peter in het bijwonen van haar aanvallen, in het getuige zijn van haar bloed en pijn een geestelijke bevrediging die hij elders tevergeefs zocht. In Parijs, waar hij bij Thomas van Aquino theologie studeerde, voelde hij zich, ondanks alle geleerdheid en vroomheid die hem omringden, geestelijk koud. Niet vroom gedrag of uren van meditatie, maar het directe contact met het bovennatuurlijke beroerde hem.

Peter was niet genteresseerd in wat de visioenen voor Christina betekenden. Kleinberg laat zien - het is niet zo moeilijk - hoezeer haar belevenissen seksueel gekleurd waren en hoe belangrijk Peter voor haar werd. Haar eigenlijke omgeving, haar familie, haar dorpsgenoten, de Begijnen van Keulen vonden haar een gek of een zieke, een dwaas die heiligheid veinsde. Peter vond wat ze deed belangrijk. Het is al met al een triest verhaal, dat door Kleinberg op de juiste toon en met voldoende sympathie verteld wordt.

HYSTERICA

Ook het geval van de heilige Lukardis, een non in een cisterciënzer convent te Oberweimar, nodigt uit tot vergelijking met de moderne psychopathologie. Haar symptomen - verkrampte spieren en ledematen, flauwvallen, dwangmatig gedrag - zijn die van de hysterica. Drie jaar lang was ze ziek, zonder dat haar kloostergemeenschap bijzondere aandacht aan haar besteedde. Uiteindelijk kreeg ze visioenen waarin haar lijden verklaard werd als een vorm van het lijden van Christus. Twee jaar lang sloeg ze met haar vingers op de plaats van de wonden van Christus' kruisiging in haar handpalmen en op haar borst. Met haar grote tenen probeerde ze in de plaatsen van Christus' wonden op haar voeten te boren. Na enkele jaren van dit gedrag werden de stigmata zichtbaar en raakte de kloostergemeenschap genteresseerd.

Lukardis kreeg toestemming vaker ter communie te gaan en de nonnen begonnen beter op haar te letten. De rest ging vanzelf. Nonnen vertelden elkaar dat ze gezien hadden dat Lukardis de heilige Maagd op bezoek had, en wanneer zij het ontkende werd dat gezien als een vrome leugen, een teken van nederigheid. Kleinberg beklemtoont hoe, toen Lukardis eenmaal door de gemeenschap aanvaard was, haar aanwezigheid ook de andere nonnen in staat stelde spirituele ervaringen tot uitdrukking te brengen. Een heilige in de gemeenschap bracht niet alleen economische en politieke, maar ook geestelijke voordelen.

De verhouding tussen Lukardis en haar publiek was goed, en de fantasieën die zij ter goedkeuring kreeg voorgelegd, bevestigden haar vooraanstaande plaats binnen de gemeenschap. Maar het kon ook anders: regelmatig kwam het zover dat het publiek een aspirant-heilige regelrecht kwelde ter beproeving. Douceline was abdis van een kleine Begijnengemeenschap in Marseille, die ze met ijzeren hand regeerde. Maar ze werd een extatica. Wanneer ze over God hoorde spreken, raakte ze in vervoering en was ze zich niet langer bewust van de wereld. Om zich te overtuigen van de werkelijkheid van haar verrukkingen prikten mensen haar met priemen of staken haar spelden onder de nagels. Charles van Anjou, belangrijker dan gewone edelen, meedogenlozer vroom, liet zelfs gesmolten lood over haar voeten gieten. Douceline slaagde voor al deze onderzoekingen. Ze bleef rustig en onbewogen. Maar wanneer haar extasen over waren, leed ze pijn. Na haar bezoek aan het hof van Charles was ze ziek en kon lange tijd niet lopen.

Ook de gravin van de Provence wilde Douceline in extase zien. De heilige weigerde. De gravin was echter niet voor een gat te vangen. Zij bracht een bekwame bedelmonnik mee die in Douceline's aanwezigheid zeer warm over God praatte. De gravin kreeg haar zin. De trotse heerseres over haar eigen gemeenschap, met volledige controle over het leven van haar zusters, was veranderd in een object, een vroomheidsspeeltje.

De beproevingen die haar publiek Douceline oplegde, waren geen teken van twijfel. De aristocraten die haar kwelden, bevestigden in het openbaar dat God zelf de heiligheid van hun heldin openbaarde. Zoals aan een kind gaf men haar taken waarvan men zeker wist dat ze die kon vervullen, zodat haar toeschouwers trots op haar en op zichzelf konden zijn. Een heilige was altijd de heilige van een gemeenschap.