DE ANDERE ÉÉN PROCENT IN HET LEGER

Homoseksualiteit en krijgsmacht door E. Ketting en K. Soesbeek (red.) 308 blz., NISSO / Eburon 1992, f 49,50 ISBN 90 5166 290 4

Vroeger moest minister Van den Broek onder druk van de Tweede Kamer nog wel eens bij de Verenigde Naties of een bevriende natie een pleidooi houden voor eerbiediging van de mensenrechten van homoseksuelen. Leuk zal hij dat wel niet gevonden hebben, al zal het een van de weinige keren zijn geweest dat er om Hans van den Broek gelachen kon worden. Men zal hem beleefd aangehoord hebben en zich achter zijn rug vrolijk hebben gemaakt over die malle Nederlandse minister, die zich inzet voor een groep waar zelfs Amnesty International niets mee te maken wil hebben.

President Clinton is te machtig om belachelijk te kunnen zijn, maar ik denk niet dat hij zich erg gemakkelijk voelt bij het tumult over zijn verdediging van de rechten van homoseksuelen in het Amerikaanse leger. Je inzetten voor een onderdrukte minderheid is toch nog iets anders dan je sterk te moeten maken voor een verachte minderheid.

Gek, maar de zalvende onzin van de Paus of de Nederlandse bisschoppen raakt je toch minder dan de vooroordelen van al die hoog- en laaggeplaatsten die op de Amerikaanse televisie laten blijken van een homoseksueel nog geen bord eten te willen aannemen. Het is niet het standpunt op zich, maar de onverholen en vernederende afkeer van homoseksuelen die maakt dat je zowel boos als beschaamd wordt.

Clinton is er mij sympathieker door geworden, want in de strijd met de legertop en het Congres wordt hij onherroepelijk beschadigd. Hij zal uiteindelijk wel winnen, maar hij zal erom geminacht worden als een "nat watje' met verkeerde vrienden. Zijn populariteit is in ieder geval nu al stevig gedaald.

In Nederland is de positie van homoseksuelen anders dan in de Verenigde Staten en dat geldt ook voor het leger. Al in 1974 vond minister Vredeling dat homoseksualiteit op zich geen reden hoefde te zijn om iemand uit te sluiten van de dienstplicht of van een carrière als beroepsmilitair. Dat het leger voor de gemiddelde homoseksueel niet de meest aangename omgeving is, daarover liet de minister ook toen geen twijfel bestaan.

In de jaren daarna deed de Werkgroep Homoseksualiteit en Krijgsmacht pogingen de positie van openlijk homoseksuele militairen te verbeteren. Overigens ging de Nederlandse overheid er pas in 1986 toe over een emancipatiebeleid voor homoseksuelen te voeren, ook in de krijgsmacht. Sindsdien is niet meer de homoseksueel het probleem, maar het gebrek aan integratie van homoseksualiteit in de samenleving.

MANFRED WÖRNER

Inmiddels is Nederland een voorloper op dit gebied. Het heeft opmerkelijk genoeg niet geleid tot verzet tegen de benoeming van Manfred Wörner tot secretaris-generaal van de NAVO, hoewel die als minister van defensie in de Bondsrepubliek één van zijn generaals wegpestte door hem van homoseksuele betrekkingen te beschuldigen. Het bleek niet waar te zijn, maar opvallend was toch wel dat de vraag of het waar was de kern van de kwestie werd, en niet de vraag waar Wörner zich mee bemoeide. In ieder geval kon de generaal met pensioen gaan.

In het algemeen wordt er in West-Europa nu met enig hoofdschudden gereageerd op de commotie in de Verenigde Staten en er is al fijntjes op gewezen dat de zwarte generaal Colin Powell nu tegen homoseksuelen dezelfde argumenten in stelling brengt die tot 1948 tegen integratie van zwarten in het leger werden gebruikt. President Truman maakte aan deze situatie toen een eind tegen stormen van kritiek in. Zonder zijn machtswoord zou Powell nu geen stafchef zijn, en de stafchef van toen zal bij de gedachte dat hij opgevolgd zou kunnen worden door een neger waarschijnlijk net zo hebben moeten braken als Powell nu bij het idee dat een homoseksueel zijn sterren en strepen zou kunnen erven.

Inmiddels heeft het Amerikaanse leger in Den Haag al geïnformeerd naar de Nederlandse ervaringen met homoseksuele militairen. Het valt echter te betwijfelen of ze Nederland in dit opzicht als voorbeeld nemen. In de ogen van veel Amerikanen is ons leger weinig meer dan een verzameling oorbellendragers, die al in geen jaren een slagveld hebben gezien. Niet iets om je aan te spiegelen, zoals de Nederlandse legerstaf ook niet gauw te rade zal gaan bij de paleiswacht van Monaco.

Het kabaal in de VS maakt de situatie van de homoseksuelen in het Nederlandse leger natuurlijk niet mooier dan hij werkelijk is. Enige tijd geleden zijn de resultaten van een groot onderzoek naar homoseksualiteit in ons leger gepubliceerd in Homoseksualiteit en krijgsmacht. Het boek laat zien dat de homoseksuele militair het nog altijd niet gemakkelijk heeft. Dit onderzoek, in opdracht van het ministerie van defensie uitgevoerd door het Nederlands Instituut voor Sociaal Seksuologisch Onderzoek (NISSO), trok destijds niet veel aandacht - er kwamen geen echt nare dingen aan het licht - maar is nu plotseling interessant geworden, al was het maar omdat het niet is uitgevoerd om vast te stellen of er homoseksualiteit in het leger voorkomt, maar of het wel goed gaat met de homoseksuelen in het leger.

FANTASIEËN

Landmacht, luchtmacht en marine zijn grote organisaties en het kan niet anders of er moeten zich behoorlijk wat homoseksuelen onder manschappen en kader bevinden. Toch beschouwt nog niet één procent van de mannen zich als homoseksueel en dat zijn dan nog bijna allemaal dienstplichtigen. Van de beroepsmilitairen is het percentage bij de mannen bijna verwaarloosbaar klein, bij de vrouwen ligt het wat hoger, waarschijnlijk ergens tussen de drie en vijf procent. Uiteraard is in alle gevallen het aantal mensen met homoseksuele ervaringen, fantasieën of gevoelens hoger, maar zelfs wanneer we daarmee rekening houden, blijft homoseksualiteit voor meer dan 90% van alle militairen een "heel ver van mijn bed show'.

Binnen het leger zijn er, kortom, naar verhouding minder homoseksuelen dan in de samenleving als geheel. Het leger als mannengemeenschap lijkt misschien wel aantrekkelijk voor homoseksuelen, maar in de praktijk is daar geen sprake van. Bovendien is het vaak erg technische legerwerk niet iets wat de gemiddelde homoseksueel erg zal aanspreken. Voor (lesbische) vrouwen kan dat allemaal een beetje anders liggen, maar ook hier lijkt voor allerlei fantasieën over de lesbische sergeant-majoors weinig empirische bodem.

Homoseksuelen zijn niet erg populair in het leger, hoewel de meeste militairen niet veel problemen hebben met hun aanwezigheid. Ze vinden hen ook niet minder geschikt voor het echte militaire werk, maar het moeten er niet te veel worden en ze moeten vooral ook niet te dichtbij komen. Een kamer delen, samen gaan stappen, een "puptentje' delen (geen idee wat dat is, maar het zal vast wel heel klein zijn), het zijn zaken waarvan ongeveer de helft van de militairen het vervelend zou vinden als het met een homoseksueel zou moeten.

De hele houding onder soldaten is er een van "tolerantie op afstand': ieder moet maar doen wat hij niet laten kan, maar aan mijn lijf geen polonaise, zelfs geen homoseksuele dokter. Ten opzichte van homoseksuelen is men ook geneigd veel meer afstand te houden dan tegenover "allochtone' militairen en zal men eerder voor een collegiale dan voor een vriendschappelijke omgang kiezen.

De houding in de krijgsmacht is, zo blijkt uit dit boek, zeker negatiever dan in de bevolking als geheel. Anders dan in de VS is er in het leger geen sprake van discussie over de rechten van homoseksuelen, maar de beeldvorming over homoseksuelen wordt sterk gekenmerkt door stigma's als seksuele promiscuïteit, AIDS en Albert Mol. "Vrouwelijk' gedrag is ongeveer het laatste waar binnen de krijgsmacht begrip voor kan worden opgebracht en homoseksualiteit wordt bij uitstek geassocieerd met nichterig gedrag. Verbazend is eigenlijk vooral dat volgens dit boek de helft van de dienstplichtige militairen zegt zelden of nooit negatieve uitspraken over homoseksuelen (of vrouwen) te horen. Slechts 10% hoort dat vaak.

De verhalen van de homoseksuele militairen zelf vertonen het bekende patroon van "coming out' in Nederland. Er is tevoren veel angst, maar meestal vallen de reacties erg mee, al is het wel vervelend dat de zelfbeleving als 1) militair, 2) man, 3) homoseksueel, door de buitenwereld heel vaak omgedraaid wordt. Kwaadaardig zijn de reacties zelden, vaker is er verlegenheid, onhandigheid of gewoon lompheid in het spel.

SOCIALE DISTANTIE

Lesbische vrouwen hebben het in zoverre gemakkelijker dan homoseksuele mannen, dat zij zich nooit in een dienstplichtsituatie hoeven te handhaven en dat hun status als vrouw hen toch al tot iets bijzonders maakt. De verhouding tussen lesbische en heteroseksuele vrouwen in het leger blijkt meer ontspannen dan die tussen homo- en heteroseksuele mannen, de neiging tot sociale distantie is ook minder.

Van echte discriminatie of homo-vijandigheid is in het Nederlandse leger nauwelijks iets te merken, concludeert dit boek, wel van een zekere anti-homoseksualiteit. Misschien kan het best gesproken worden van een tolerantie ten opzichte van homoseksualiteit als maatschappelijk verschijnsel en van acceptatie van de homoseksuelen die men kent, maar zeker niet van homoseksualiteit als zodanig. Dat kan men een probleem vinden en het is ook zeker niet leuk voor homoseksuelen, maar het meest opvallende is toch wel dat blijkens dit boek nergens sprake is van grote problemen in de praktijk, niet van homoseksuelen en niet met homoseksuelen. Het onderzoek weerspiegelt heel wat kleinburgerlijk gezeur, aan beide zijden, en verder eigenlijk niks.