ABBIE HOFFMAN; Een Yippie die ten onder ging aan de jaren zestig

Abbie Hoffman. American rebel door Marty Jezer 345 blz., geïll., Rutgers University Press 1992, f 50,95 ISBN 0 8135 1850 4

Het bericht van zijn zelfmoord op 52-jarige leeftijd haalde vier jaar geleden nog maar net de kranten. Eigenlijk was iedereen de Amerikaanse studentenleider en cult-figuur Abbie Hoffman al lang vergeten. Hoffman, die in de jaren zestig furore maakte als aanvoerder van de "Yippie'-beweging, leidde de jaren voor zijn dood een teruggetrokken leven, ten prooi aan hevige manisch-depressieve buien. Slechts af en toe nog begaf hij zich in het lezingencircuit, om met strijdbare verhalen over Nicaragua en de wereldwijde milieu-crisis de jeugd van het Reagan / Bush-tijdperk te mobiliseren. Maar meestal sloeg zijn alarmistische boodschap niet erg aan bij zijn gehoor en werd hij toch weer eindeloos ondervraagd over zijn avonturen in de jaren zestig.

Zijn laatste politieke daad stelde Hoffman een jaar voor zijn dood, tijdens de verkiezingscampagnes van George Bush en Michael Dukakis in 1988. Hij meende een artikel te hebben geschreven dat Bush zeker de overwinning zou kosten. Het ging over de geheime afspraak die de Republikeinen in 1980 met het revolutionaire Iran zouden hebben gesloten om de vrijlating van Amerikaanse gijzelaars in Teheran uit te stellen tot na de verkiezingen waarin Jimmy Carter reddeloos ten onder zou gaan. Op weg naar het blad Playboy om zijn artikel aan te bieden, raakte Hoffman met zijn auto op de verkeerde rijbaan en botste frontaal op een vrachtwagen. Zwaar gewond kroop hij uit het wrak en betaalde een omstander honderd dollar om hem naar het vliegveld te rijden. Bloed hoestend verdedigde hij zijn artikel in de Playboy-burelen in Chicago, maar het werd niet geplaatst.

Dat najaar zakte Hoffman weg in een depressie. In april 1989 schreef hij: ""Ik ben bang om de straat over te steken en gebruik enorm veel medicijnen.'' Op 12 april werd hij door zijn huisbaas dood aangetroffen in bed, met een buik vol alcohol en pillen. George Bush won de verkiezingen.

De "sixties-revival' van de laatste tijd heeft Hoffman dus niet meer mee mogen maken. Wellicht was hij opgebloeid door het idealisme van president Bill Clinton en de machtsovername van diens met sex, drugs en rock' n' roll grootgebrachte generatie "baby boomers'. Want daar was het Hoffman in de jaren zestig toch om begonnen: het ontketenen van een ""culturele revolutie'' die zou afrekenen met de waarden van de jaren vijftig.

De verdienste van Marty Jezers American Rebel, de eerste aan Hoffman gewijde biografie, is vooral dat het nog eens duidelijk maakt hoezeer de jaren zestig inderdaad een culturele en niet zozeer een politieke breuk vormden met de voorafgaande decennia. Minder geslaagd is de docerende, overdreven ernstige toon van het boek (""Het was kenmerkend voor de Beweging om conferenties onder te verdelen in kleine werkgroepen''; en: ""Jerry, gecommiteerd aan het idee van creatieve ordeverstoring, zag het festival meer in termen van confrontatie.''). Het is een toon die merkwaardig afsteekt bij het extravagante karakter van de hoofdfiguur.

Jezer portretteert de in 1936 geboren Abbott Howard Hoffman als een kind van de jaren vijftig, opgegroeid in een conformistisch middle-class klimaat dat naar zijn smaak een belemmering vormde voor de onbeperkte mogelijkheden van de moderne, na-oorlogse welvaartsstaat. Als tiener in een milieu van hard werkende, sobere joodse immigranten luisterde Abbott in zijn woonplaats Worcester naar de rock 'n' roll van Elvis, reed rond in zalmkleurige sportwagens met staartvinnen en ontpopte zich als een begaafd huiskamerkomiek en "pool hustler'. Van politieke aspiraties was geen sprake, wèl van groeiend ongeduld met de degelijke waarden van zijn middenklasse-omgeving.

Zijn politieke opvoeding kreeg Hoffman vanaf 1955 aan de joodse Brandeis University in de staat New York, een opleidingscentrum voor linkse joodse intellectuelen waar onder meer Herbert Marcuse doceerde. Hij raakte er in de ban van de humanistische psycholoog Abraham Maslow en diens optimistische leer van menselijke zelfontplooiïng. Later maakte hij in Berkeley kennis met het linkse milieu van bohémiens, existentialisten en jazz-liefhebbers. Vanaf dat moment was hij niet meer de joodse komiek Abbott Hoffman, maar "Abbie', beroepsrevolutionair.

Jezer onderstreept in American Rebel het "typisch Amerikaanse' karakter van Hoffmans activisme. In zekere zin was zijn visioen van een veelkleurige, vrijgevochten samenleving na "de revolutie' een zoveelste herformulering van de aloude Amerikaanse Droom. Zijn helden en voorbeelden waren ook niet communistische ijzervreters als Mao Ze Dong of Leon Trotski, maar de ikonen van de Amerikaanse popcultuur: Groucho Marx, de stripfiguur Superman, de komiek Lenny Bruce. Terwijl zijn "kameraden' zich uitputten in strategie-debatten over de strijd tegen het establishment, of elkaar de finesses van het historisch-materialisme uitlegden, tripte Hoffman op LSD door een universum vol striphelden. Zijn makkers droegen politiek verantwoorde truien en baarden, maar hij sprong rond in een cowboy-pak, met een fluorescerende jojo tussen zijn vingers.

Het maffe activisme van Hoffman en zijn vrienden bereikte in 1968 een hoogtepunt in de oprichting van Yippie!, een fictieve Youth International Party die de revolutie moest inluiden met kolderieke acts als het rondstrooien van dollarbiljetten op de Newyorkse beursvloer en de presentatie van een nieuwe (nep-)drug die de gebruikers ""onmiddellijk tot de geslachtsdaad zou doen overgaan''. De cabareteske media-acts sloegen bij het hippe deel van de jeugd van destijds veel meer aan dan de doctrinaire verhandelingen van zijn linkse medestanders in "de Beweging'.

Van Hoffmans eerste boek, met de kenmerkende titel Revolution for the Hell of It (1968), gingen in het eerste halfjaar na verschijnen 200.000 exemplaren over de toonbank. Een speelgoedbedrijf overwoog het op de markt brengen van "Abbie-poppen', reclamebureaus benaderden hem voor adviezen hoe de moderne jeugd te benaderen. De ""culturele revolutionair'' had het gemaakt. Hij was een Amerikaanse folk-held geworden.

Keerzijde van Hoffmans hyperactiviteit was zijn depressieve inslag, die bovenkwam zodra de commotie rondom hem verstilde. Jezer volgt Hoffman op de voet tijdens zijn trage neergang, die al eind jaren zestig begon. De yippies vonden in augustus 1968 hun Waterloo in Chicago, waar ongeveer tienduizend jongeren met excessief politiegeweld werden weggeslagen van op de Democratische Conventie. Daarvoor al hadden de yippies onderling over werkelijk alles gebekvecht, tot en met de keuze van het varken dat hun alternatieve presidentskandidaat moest worden. Het zachtaardige varkentje dat Abbie had uitgekozen was niet "politically correct' genoeg.

Toch beleefde Hoffman in de nasleep van de Conventie-rellen zijn "finest hour': in september 1969 stond hij met zes medebeklaagden in Chicago terecht voor zijn aandeel in de straatrellen. De yippies maakten een media-circus van het proces, dreven de spot met de rechter en beantwoordden vanachter de beklaagdenbank hun fanmail. Abbie werd schuldig bevonden en veroordeeld tot de maximumstraf van vijf jaar cel en 5.000 dollar boete. Hij kreeg nog acht maanden extra wegens minachting van de rechtbank. Het vonnis werd na enkele jaren vernietigd wegens vormfouten. Abbie's nieuwe boek Steal This Book, een catalogus van "revolutionaire' criminele trucs om gratis aan voedsel, kleding, vliegtuigtickets en nog veel meer te komen, wordt een kassucces (het is ook een van de tien meest gestolen boeken uit Amerikaanse bibliotheken, het exemplaar in de Library of Congress is al jaren weg).

Begin jaren zeventig, tijdens het presidentschap van Richard Nixon, raakte de linkse "Beweging' definitief gepolariseerd. De lol was eraf, na de moorden op Robert Kennedy en Martin Luther King, en steeds meer "revolutionairen' gaven er ofwel de brui aan of wierpen zich in de gewapende "stadsguerrilla'. Hoffman viel met zijn ludieke hippie-idealen tussen wal en schip. In een kennelijke poging zijn imago als lefgozer op te poetsen, maakte hij in deze tijd een merkwaardige ommezwaai: hij ging "in de drugs'.

Na een weinig verheffende reeks wederwaardigheden belandde hij uiteindelijk in een Newyorkse hotelkamer met een kilo coke op schoot tegenover twee undercover-agenten, die hem onmiddellijk in de boeien sloegen. In februari 1974, kort voor zijn rechtszaak, verdween Hoffman. Hij was "ondergronds' gegaan, in navolging van andere linkse helden zoals de Black Panther Elridge Cleaver en de LSD-profeet Timothy Leary, die uitweken naar Algerije.

Pas in september 1980 dook Hoffman weer op, vlak voor de publikatie van zijn autobiografie. Zijn puberale gevoel voor humor had hem nog niet verlaten, getuige de titel van het boek: Soon To Be A Major Motion Picture. Wel bleek nu dat zijn eerste jaren als onderduiker een kwelling waren geweest: hij sprak maandenlang geen bekenden en moest zijn vriendin vanuit openbare telefooncellen bellen zodat die op afgesproken plaatsen tassen met schone sokken en onderbroeken kon brengen. Vrienden haalden hem in het voorjaar van 1976 volkomen overstuur uit een hotelkamer, waar hij een torenhoge telefoonrekening bij elkaar had gebeld, alsmede een plan had ontwikkeld om revolutionair verantwoord rijk te worden door Cubaanse sigaren in Amerika te verkopen. Een psychiater diagnostiseerde hem als manisch-depressief.

In de jaren daarna had hij, met een nieuwe vriendin, rust gevonden in het dorp Fineview, op een van de Thousand Islands in de staat New York. Als de free lance schrijver "Barry Freed' werd hij een gewaardeerd burger door zijn grote inzet voor het milieu, dat een nieuw goed doel bleek voor zijn activisme. Zelfs de Republikeinse senator Patrick Moynihan prees zijn milieu-initiatief "Save The River' ten behoeve van de pittoreske Thousand Islands, omdat dit aangaf ""waar het idealisme van de jaren zestig is gebleven''. De ironie van het moment zal Hoffman niet zijn ontgaan. Tot zijn zelfmoord in 1989 bleef hij zich inzetten voor het milieu en de linkse beweging. Zijn laatste boek verscheen in 1986: Steal This Urine Test, een pamflet tegen Ronald Reagans "War on drugs'.

Wat is de balans van dit leven? Leren de wederwaardigheden van Abbott Hoffman iets nieuws over de reeds stuk-geanalyseerde jaren zestig, iets over naoorlogs Amerika, of misschien over het leven zelf? ""Abbies jaren als yippie zijn een waarschuwing tegen het uitvechten van politieke kwesties op cultureel gebied'', doceert Jezer aan het slot van American Rebel. ""De uitdaging van culturele politiek is om mensen niet te verdelen, maar om in het Amerikaanse mengsel een gemeenschappelijkheid te vinden (...) ten behoeve van een gezamenlijk politiek doel.''

Het is een gortdroge, nietszeggende conclusie van een biograaf die toch al moeite heeft de meer lichtzinnige kanten van zijn hoofdpersoon op waarde te schatten. Hij komt dichter in de buurt als hij op de laatste bladzijde van zijn boek schrijft: ""Abbie geloofde dat links, zelfs in zijn meest militante vormen van protest en verzet, een positieve boodschap moest uitdragen.'' Bill Clinton had het gezegd kunnen hebben.